Overvloedig

Langs de eblijn
zover als mogelijk van het land
durf ik amper een voet te zetten
Alleen uitgekiend
treed ik het vergankelijke tegemoet
– of ik moet er niet bij stil staan –
en verder kom ik niet dan de vloed reikt.

 

Eenvoud

Je bent het niet gewoon, hè
zo in levende lijve
en dan gewoon maar wat
praten en aftasten en de wereld laten
voor wat het is, alleen maar
met z’n tweeën?

Er was misschien eens
een tijd en een jongen
– van ouder durf ik niet eens te spreken –
die nog zonder hoofd
het moment kon pakken
met een woord
en zelfs nog een kus of wat

Gelukkig tellen de jaren
niet in alle opzichten.

Wonderkruis

Horloge tikt
Heelal draait
Ik begrijp geen snars
En dan zie ik ook nog beren
Almaar in mijn melkweg

Kan ik niet anders dan suikerbrood smeren
Al houd ik ook van de beet van een zure appel
En is het allemaal zonde

En dat zonder dat Eva mijn pad kruiste.

Bloedgroet

Verdomme ! Ik zag vandaag
geen bloem. Geen enkele.
Nu ik er aan denk, denk ik
dat het me niet opviel
tot nu net, maar ik maak
het goed gemaakt met u
en ik deel alsnog mijn eigen hart:
een roos, zo rood en vol stekels
om je voorzichtig te verwonden
en te bloeden om de dag
voor de dageraad weer aanbreekt
de toekomst in gruzelementen slaat
een flonkering van kleuren
welbeschouwd.

Uitgestegen

Niet zondermeer loop ik over water
Niet zondermeer ga ik te voet
Geef me de tijd die me niet gegeven is
en alsof het niets is verzet ik bergen
Laat me mijzelf achterwege laten
en ik sta voor niets
Kon ik met woorden een brug bouwen
dan was ik via de maan en de zon
al in de zevende hemel gekomen
en boven mijzelf.

Voor poëzie

Soms zie ik wel mooie zinnen, maar
begrijp ik ten ene male er niets
van waarom zinnen en zelfs coupletten
worden afgebroken, zomaar, geen

andere reden dan om ’t ogenschijnlijke
genoegen scheppen in regels
die van circa gelijke lengte het oog
beroeren en dat moet dan doorgaan

voor poëzie, waar zinnen al zouden spreken
de gaten in de wereld zouden dichten
zonder kunstgrepen de zinnen laten zwemmen
zonder de lezer zich zelf redelijk te redden.

Groen laken

Vroeg, misschien wat te laat
Wie ligt al op één oor
Wie haalt mee door
De bar is gesloten
Het biljart is een leeg groen laken
– En zelfs de pinda’s zijn op –
Kijken we elkaar aan
de vraag blijft waar is ons thuis
Het huis is maar een plek
maar als we elkaar omarmen
als we kijken en geen oog hebben
anders dan voor elkaar
als jouw lippen nog proeven
naar zout en bier
– of laat ’t wijn zijn, of een cocktail of wat –
als ik je ruik door je parfum heen
als je me neust
als we dan niet meer spreken
anders dan met tongen
en vingers vol tastzin
en afgebroken woorden
dan zijn we thuis
dan zijn we waar dan ook
maar bij elkaar.

Leef!

Want er is geen tijd
geen tijd om stil te staan
geen tijd om voort te gaan
geen tijd voor nu

De tijd, die is er wel
ongrijpbaar, medegenloos, onzichtbaar
dus maken we tijd
en creëren we momenten
en de mooiste zijn dan weer
als we die tijd
die ongrijpbare, medogenloze, onzichtbare
dan vergeten
er daar dan niet bij stil staan.