Biecht MMXXIV

Veel mensen heb ik niet
om me heen
Natuurlijk, net zoveel als iedereen
op deze ronde aarde

Alleen
wie me dan na staat
en ook nog voor langere tijd
dat is vers twee

Gelukkig
kan ik nog vol schieten
ontvankelijk, ongewapend
te moe om muren op trekken
[ elk nadeel heeft z’n voordeel ]

Het daget

Vandaag ging ik niet alleen
voor de zoveelste dag
sinds ik ter wereld kwam
onder de zon, maar mocht ik
me bijkans baden
in ’t licht, er tegenin kijken
op mijn terugweg
zozeer niet van hot naar her
zij het niet blindelings
maar met oog
voor passanten, boten aan de wal
voor de kalende bomen
paden vol gevallen blad
een enkele vogel die niet gevlogen was.

Gemene deler

Bij gebrek aan
wat lieve woorden zo nu en dan
een kus of wat
een grap die wordt verstaan
gedeelde lach, tranen
al dan niet met tuiten
een fluistering dicht bij het oor
een roep, groet, over straat

wat toch iedereen
wel kent, belieft
Zo verschillend zijn we niet
al zijn we stuk voor stuk alleen
en enig en wat dies meer zij bovendien.

Dubbel

Het was me
een tijdje wel, terwijl
ik tegelijk ook wel weg
wilde zijn, al verheugde
mijn hart zich en kromp
ineen van nee en zette uit
van ja, door het teveel
dat tegelijk te weinig was

Dat seizoen

Het blad viel, een vlinder
voor even in mijn ogen
en even verder raakt mijn blik
de late bloem en vliegt de vlinder op
voor de kou aan
in het al langere zonlicht
van allengs kortere duur
en ik heb geen idee meer:
ben ik nu een vlinder of een blad?

Misschien, als ik jou kus
maakt het allemaal niet uit.

Randfiguur

Tuurlijk ben ik niet de enige
die ’s nachts alleen ligt
– bij lange na niet –
die zelden zo huid op huid
contact maakt, weet te raken
– buiten woorden om –
en zich er van alles bij kan voorstellen
al is dat overdreven
en schiet dat tekort tegelijk
– bij ervaring van wat momenten –
al is het natuurlijk
een kwestie van opeenvolging
van momenten van zus naar zo
en dergelijke. Een afslag
of wat gemist? Dat is de vraag.

En wat

Vandaag kreeg ik de dood aan de lijn
zo even terloops
tussen alle andere gesprekken door

Haar beide kinderen waren
zo wist ze te vertellen
in een een ongeluk

en één was dood
de ander aan het revalideren

en een brief vertelde haar
dat ze geen recht op geld meer had
voor de opvang
per die datum die de gemeente had

van net drie weken terug
toen alles nog anders was.

Tot slot

Geef me nog een woord, een
ademtocht. En nog één, en nog
één en een paar jaar. Zoveel nog
dat ik nog even kan doen alsof
het einde nog ver weg is

En onderhuids stroomt
het bloed rood
van leven, van liefde, teken
van gevaar, als het vrijuit
gaat. Een stoplicht, een hart
met een pijl erdoor laat
de wereld stil staan
voor je het weet.

Oogopslag

Kom je? Kom je aan-
zitten bij het vuur
bij de korf, of de haard
en naast mijn hart

De vonken vliegen namelijk
– nog net niet in je haar –
als we kijken naar elkaar
en de warmte van ons beiden
in geest en in gebaar
voorbij gaat aan verleiden
lucht geeft
als het ware.