Nergens meer

Zo groen als jouw ogen
is niet het gras
Zo blond als jouw haren
de zon nog nooit zo stralend was
Zo wit je tanden bij een lach
hartverwarmd smelt ik weg, zo in mijn sas.

En als ik de warmte van je lippen streel,
ik heel mijn verleden met je deel.

 
 
 

Hartverwarmend

Sta ik in rechte lijn met de zon
Zit ik met mijn benen gestrekt
Lig ik uitgestrekt en geef ik me loom
over aan haar warmte en droom
Op afstand van haar.

 
 
 

De post

Ik drink je woorden in
Kan ik er niet in geloven
Zij het een voorzichtig begin.
Zie ik je niet in persoon
Je woorden, ik proef ze en de toon:
verdraaid, voor even weer ondersteboven.

 
 
 

Zolang ik het leven om mij heen weet

Geef mij maar bij tijd en wijle
de rust om in stilte te luisteren
Geef mij maar zo af en toe
de stilte van de ondergaande zon,
van het water, stilstaand riet

Hoor ik mijn ademtocht
het kloppen van mijn hart
en het kortstondig kwaken
van een eend, gekras van een kraai,
van een vis die kringen maakt
als die even het watervlak raakt

of van ergens in de verte
door een open raam een kind
dat nog even tegensputtert
voordat ‘ie zich gewonnen geeft
voor die dag, de nacht betreedt

Geef mij maar dat moment van stilte.

 
 
 

Hemeltergend (Von himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt)

Loop ik alleen met mijn hoofd
in de wolken, van mijn zinnen beroofd
weet ik niet wat te beginnen

Geraakt door de pijl van Cupido’s boog
Liever zat ik bij jou op oog-
hoogte aan de grond
en hoorde ik waar ik stond

Liever nam ik je met me mee
tot in de wolken met ons twee
Of anders alleen, als je er geen been
inziet, zing ik dan een ander lied.

 
 
 

Lot

Eigenlijk ken ik je nog helemaal niet
Maar ik zag je en was verkocht, subiet

Men zal wel zeggen: feromonen
Maar wat ik rook, ik zou het echt niet weten
het was jouw aanblik die mij deed vergeten,
die alleen kwam in mijn dromen.

(Had ik een lichte voorkeur voor kastanjebruin of zwart,
éénmaal gezien: je haar mag grijs zijn voor mijn part.)

 
 
 

Voor de bijl

Ging ik voor jou voor de bijl
Ga ik beter als een dweil onder zeil
dan met gefrustreerd gemoed
te blijven malen in eb en vloed.

Hoe ver ik ga, dat is de vraag
De zekerheid die ik verdraag
die zet ik nog even niet op het spel
Had ik geen angst, dan wist ik het wel.

De afloop raadt zich raden

 
 
 

Het zegent

Het was niet zo stoer
ik op rolletjes door de regen voer
na een tropische dag nog zwoel
te fietsen met gelukzalig’ smoel

en die nattigheid mij niet deerde
in zomerkledij gestoken, ik ontbeerde
elke bescherming tegen het hemelwater,
plakte die tegen mijn lijf al niet veel later

Overbodig waren dit keer paraplu of regenpak
Met jou in gedachten ging ik op mijn gemak
van a naar b tussen de pijpestelen door,
was dit verfrissend als nooit tevoor.

 
 
 

Op slag van slag

Breed lachende mond, ogen rond en kort haar blond
Zomaar daar, duurde het even voor ik mezelf hervond
Nee, geen Zwerver, antwoordde ze op mijn vraag
Ze leek wel op deze en gene, nou ja, vaag

Maar op wie ze dan ook lijkt, dan toch
is ze in de eerste plaats zichzelf,
Al het andere wat mij betreft bedrog
Behalve: geen ander lijkt zo op een elf

Zelfs zonder vleugels komt ze me lichtvoetig voor
en gaat ze er, allicht, met mijn hart vandoor.

 
 
 

Midzomernachtdroom

Wat was hij blij, toen zij zei
Die kende ze nog niet, die grap
Haar tanden bloot lachte in witte rij
Lang, slank, leek ze te dansen in pas op de plaats
Mijn hart ging naar haar uit, mijn lichaam te krap
Fluistert in mij, immer tegendraads

Ze is te mooi om waar te zijn
Stel je niet aan, mijn harlekijn
Ze is voor jouw zinnen toch te fijn
Stel je niet bloot aan nog meer pijn

Fluistert die stem, die angst, zo vilein
ondermijnend wat het mijne zou kunnen zijn.