Nog steeds ligt hier wat sneeuw
onderbroken door plukken land en gras
en de vele gestrooide straten en trottoirs
– maar mijn voetstappen kraken nog her en der
als ik op weg ga –
bij uitzondering
vergeleken bij het hoge noorden
en het allerdiepste zuiden aan de pool daar
en op die ene plek mag ik
de gele bloemetjes zien van winterakonieten
zo uit de wind
die nog waait uit het oosten.
Vraagteken
Was het een evenwichtsbalk of een koord
waarover ik vandaag de dag passeerde
met onder mij het water van mijn tranen
wachtend op mijn val, een duik
– dat laat zich raden –
mocht het geringe licht me te machtig
worden en ik hield het niet meer droog
Waar is mama, die veiligheid en warmte
zonder ook maar enig benul
van losse schroeven
laat staan van drijfzand.
Beste
Doe mij maar heel even
bijvoorbeeld van nul tot honderd
zonder rijbewijs
dit leven
hier op aarde, met licht en lucht en water
(en al wat dies meer zij)
waaraan geen waarde valt te geven
buiten die tijd en ruimte om
met een beetje hart
dat leeft
met een traan en lach
in een gedeelde oogwenk.
Baby Job
Geen idee hoe je ter wereld kwam
En zoveel jaren later
heb je haar op je borst
en op plekken waarvan je ook geen weet had
– en kalend anderzijds –
Veel te kort
om het allemaal te bevatten
en om dat leven te vullen
is ook nog zowat
Van die eerste jaren
geen herinnering
om van de buiktijd niet te spreken
van wat later zijn er flarden
– een beeld, een geur, muziekgeluid –
al te gemakkelijk te verwarren met de foto’s
en de verhalen die je kunt maken
daarvan en van wat je is verteld
Wat is er nodig
baby Job
dat je weet
tot in je vezels
dat je er zijn mag
al zou je falen, fouten maken
dat liefde al met al geen sprookje is?
Slagboom
De vergankelijkheid is
een gepasseerd station
als je eenmaal daar bent
van hier tot ginder
op dat punt in de tijd
waar
je alleen nog kunt dansen
met het heden
waar
je geheel alleen
je de volgende stap zet
vergezeld
met wie maar naast je
Ach
moge het zo zijn, dat je mag
dat je mag doen wat niet moet
dat je los
daarvan
er zondermeer zijn mag
als ware het
vanzelfsprekend
al is het met wee, weet
je bent niet enig
daarmee
en verder gaat het niet
dan iets van schoonheid
dan iets van waarachtigheid
te leven.
Verleden jonge jaren
Geen benul nog van het verstrijken
– en van strijken en wasgoed evenmin –
van de tijd; als peuter, als kleuter
regen momenten zich aaneen
een eindeloze tijd, een loze tijd
vol van wat dan ook
achteraf bekeken een jaar of drie, vier
flarden waarvan te verhalen valt
stenen, ruw of gepolijst in de rivier
Stapstenen? Met leedwezen
stel ik de vraag vast.
Wat mij betreft
Weet je wat je zou willen zeggen, Job
– nou?
als laatste woorden?
– Nou, dat weet ik niet hoor
Misschien, als er dan iemand is
die luistert
en als die een mens is, zo’n beetje
zoals ik, misschien, misschien dan wel
“ik hou van jou”
Of anders houden we gewoon
elkaars handen vast
een hartklop van elkaar.
Oeps
Mocht je me
willen vasthouden
al is het voor even
– een levensspanne eventueel
maar dat is eigenlijk ook ’t zelfde –
dan smelt ik
een ijsje dat zo graag
een kooltje wilde zijn
schipperend zonder stuur
de steven gewend
Waarnaar: dat mag god weten.
Vioolspel en mineur
Je kwam aan
en we dronken een koffie
dicht bij het hoofdstation
Je moest verder
en buiten ons mocht niemand weten
van ons twee en hoeveel
hart we deelden
Daar bleef het bij
Alweer een gepasseerd station.

