Slagboom

De vergankelijkheid is
een gepasseerd station
als je eenmaal daar bent
van hier tot ginder
op dat punt in de tijd
waar
je alleen nog kunt dansen
met het heden
waar
je geheel alleen
je de volgende stap zet
vergezeld
met wie maar naast je

Ach

moge het zo zijn, dat je mag
dat je mag doen wat niet moet
dat je los
daarvan
er zondermeer zijn mag
als ware het
vanzelfsprekend

al is het met wee, weet
je bent niet enig
daarmee

en verder gaat het niet
dan iets van schoonheid
dan iets van waarachtigheid
te leven.

Verleden jonge jaren

Geen benul nog van het verstrijken
– en van strijken en wasgoed evenmin –
van de tijd; als peuter, als kleuter
regen momenten zich aaneen
een eindeloze tijd, een loze tijd
vol van wat dan ook
achteraf bekeken een jaar of drie, vier
flarden waarvan te verhalen valt
stenen, ruw of gepolijst in de rivier
Stapstenen? Met leedwezen
stel ik de vraag vast.

Wat mij betreft

Weet je wat je zou willen zeggen, Job
– nou?
als laatste woorden?
– Nou, dat weet ik niet hoor
   Misschien, als er dan iemand is
   die luistert
   en als die een mens is, zo’n beetje
   zoals ik, misschien, misschien dan wel
   “ik hou van jou”
   Of anders houden we gewoon
   elkaars handen vast
   een hartklop van elkaar.

Oeps

Mocht je me
willen vasthouden
al is het voor even
– een levensspanne eventueel
maar dat is eigenlijk ook ’t zelfde –
dan smelt ik

een ijsje dat zo graag
een kooltje wilde zijn

schipperend zonder stuur
de steven gewend

Waarnaar: dat mag god weten.

Vioolspel en mineur

Je kwam aan
en we dronken een koffie
dicht bij het hoofdstation

Je moest verder
en buiten ons mocht niemand weten
van ons twee en hoeveel
hart we deelden

Daar bleef het bij
Alweer een gepasseerd station.

Van lichaam en hart

En toen was je er
uit het niets
en opeens wist ik met lijf en al
hoe het was samen te zijn
en alles te vergeten
al was het voor een moment of wat

Dat was toen
en al ben ik dan onderhand van nadien
mijn hart staat
min of meer open
en mocht je voorbij komen
wie weet
wil ik je wel proeven
wie weet
mag ik ons wel.

Kind toch

Opeens ben je daar
in de wereld geboren
zo klein, zo groots
tegen alles in
tegelijk voor alles

In welke wereld
dat is de vraag
en juist daarom

eens te meer
omhelsd, gekust
om je gedragen te weten
als de tijd komt.

Ontmoet

Mocht
je me raken
al zie je er niet uit
al ben je niemandal
al loop je op je laatste benen
dan vliegen we toch
op en vervluchtigt alles niet ter zake
en weten we niet meer
van me dit en me dat
en is alles opgelost

Ave verum

Mijn knie – de linker –
heeft er niet echt zin meer in
beweegt het liefste in één vlak
zeker niet zijwaarts

En op mijn lichaam tekenen
zich allengs meer vlekken
af in mijn huid tegenwoordig

Haren vielen al uit
boven op mijn kop
en blijven maar groeien elders
en grijzen in de loop van de jaren

Mijn gebit blijft langzaamaan ook
in gebreke en laat mij kiezen
tussen doorbijten
of een tandartsrekening
die ik gelukkig kan verteren

Met mijn lust kom ik nog wel klaar
Mijn verlangen en de rest
vertrouw ik toe aan spreekwoordelijk papier

Gewend onderhand aan mijzelf
en het ongemak alhier

Misschien, misshien
kan ik het glas heffen
op een moment samen
voor mijn einde der tijden

tot dan blijf ik maar de wereld groeten.