Mocht je nu hier zijn

O wacht, dat ben je, jij
die dit leest
en een beetje van mij
tot je neemt
Als je me niet kent
dan hoop ik maar
dat je niet mijn kop wil doen houden
– al ben ik daar wel gehecht aan, aan mijn kop –
Als je me niet kent
misschien heb je even tijd
in ons korte leven
een moment te delen wat kostbaar is
Ik houd van mijn leven
vooral als ik niet ongelukkig ben
en zelfs daarbuiten houd ik eraan vast
Zoveel schelen we denk ik niet
De smaak van een stuk ananas
De geur van vers gemaaid gras
Of van kaneel
Je lief die je aankijkt
Zo goed ken ik je niet
Ik geef je de hand
een omhelzing, wat je wilt
een kus als het je om het even is.
[En zo hier is het makkelijk gedaan]

 
 
 

Verscheiden

Eén van de zovelen
van de aarde verdwenen
en nergens meer
En nergens anders
dan op aarde in herinnering
niet tastbaar meer, niet hoorbaar
onzichtbaar, anders dan in beelden
Wie weg is, was gezien.

 
 
 

Overvallen door de herfst

Zat ik maar veilig
achter mama’s rug
achter op de oranje brommer
Zelf in ieder geval met helm
een zwarte met dikke witte streep
– of net omgekeerd –
al was het dan in Amsterdam
begin jaren zeventig van of naar
de crèche of zwemles of de kleuterschool
of de school voor handenarbeid
 
En misschien had mama dan wel
zo’n okerbruine halflange jas, zo’n duffelse
suède, afgezet met licht imitatiebont.

 
 
 

Niet van steen

Van ver weg
hoor ik, zie ik
met gemis en verlangen
dan zo dichtbij
dat ik het niet houd
dan in mijn hart
dan in mijn keel en ogen
waneer dan te ver
om aan te raken, om te ruiken
om van proeven niet te spreken.

 
 
 

Bloem [geplukt]

Wat, wat zeg je van een veld
onder de zon, van het gras
een groep wilgen aan de waterkant?

Wat, wat zeg je van de oever
van de rivier waar een enkele boot
voorbij voer, waar insekten zoemden
waar wij zoenden
en meer van dat?

Wat, wat zeg je van dat veld
dat van geen wijken mocht weten
maar het veld ruimde
voor een herinnering?

Troost

Soms zie je dan zoiets
moois, een palet
van kleuren, geuren, zinne-
strelingen, dat het niet valt
te bevatten voor je enkele hart

Soms laat het dan zich niet bevatten
en reik je, kan je niet anders
dan reiken
al is het met een woord
al is het met gebaar
al is het lijf aan lijf en geur

(soms ook zie je ook zoiets
kwaads, de keerzijde
dat je dan niet anders kan
dan verdrinken
alleen of in ekaar)

Pas

De wereld is te groot, te klein
In ieder geval zie ik alleen
slechts glimpen van jou
waar ik maar ben
met mijn voeten hier
mijn handen daar
mijn gedachten reikend over de horizon
mijn hart de hele wereld verlangt
en er geen houden aan is
er geen houden van is
niet op maat gemaakt.

Moment

Onder mijn huid
nestelde zich onmacht en niets-
waardigheid. Hoe dik de huid, hoe
diep verankerd in mijn hart
Het doet zich gelden en wat slijt
en wat breekt?

 
 
 

Lentekriebels

Blaadjes frisse sla
als ik door jou verzadigd
van honger verga

Het is de onschuld
dat onwaarschijnlijke groen
die mijn hart vervult

Je lichte ogen
oogstrelende hand, al dat
laat zich niet logen.