letters op het wit
klanken in de lucht
waar ik op doel
is jou gegeven
als het goed is
lopen we samen op
en komen nog ’s ergens.
letters op het wit
klanken in de lucht
waar ik op doel
is jou gegeven
als het goed is
lopen we samen op
en komen nog ’s ergens.
De bel voor het speelkwartier is gegaan
allang. Ik wordt geacht te spelen
maar kies mijn eigen tijd
ik kan het niet verhelen
gelukkig ben ik toegesneden
op wie mijn hart verblijdt
het speelveld is gemaakt
van spinsels uit ons hart.
–
Naakt
dan nog gekleed in licht
De oneffenheden
verbleken, het verleden
draagt ze met zich mee
het oog van de toekomst
deert haar niet
ze ziet wel
en haalt de wereld binnen.
De wind over het strand, het zand
stuift en suist en dichterbij de rand
de branding bruist en de golven
uiteenvloeien, sissend schuim,
daarboven uit
het gejoel van kinderen in de verte
het schorre roepen van een meeuw
richt ik mij op, verhef mijn stem
en schreeuw
de zee maakt het niet uit
als ik het zout van mijn tranen
afspoel in het zout van de zee.
Soms schreeuw je
om jezelf niet te horen
om de pijn te overstemmen
en dan schreeuw je het uit
de pijn vergaat
het verdriet gebonden aan het hart
het leven niet te na gesproken.
Weg, helemaal
op de achter gelaten sporen na
en de herinneringen
Mocht je naar de hemel gaan
ik heb geen flauw idee
waar die mag zijn
Hier gaan we door
draaien we door
met hartstocht ’t leven te omhelzen
Daar zou je toch een lief ding voor geven.
Weet je niet
hoeveel bij elkaar opgeteld bedraagt
het aantal sterren en de zandkorrels op het strand
de regendruppels en de haren van je lief
en van het aantal bultjes van het kippenvel?
Weet je dan
hoe te leven en je te laten overweldigen
en je in huiveringen te laten gaan
onversaagd.
Waarom zou je zeggen
dat je denkt aan hem, aan haar
als je ’t ook kon maken
dat ene kleine gebaar
zij het in woorden
zij het met een blik
of een aanraking die meer zegt
dan die woorden die ook wel gemeend
maar luidkeels spreken van machteloosheid
om te zeggen
dat je niet veel anders bent.
Wat mooi is,
om je aan vast te klampen
om je te laten optillen
om op wolken gedragen
door je tranen heen te lachen
en je eigen vaste grond te scheppen
waar we samen kunnen dansen.
Ook jij bleek al niet eindeloos
en welk lijden, jij leefde meer
Laten wij daarom één nog
op het leven drinken
bij 26 graden en een strak blauwe lucht
Dat had jij vast graag gemogen.
–
I.M. Bert Bekkers, Schiermonnikoog