Opeens is het nog hartstikke licht
ik kort geleden nog in het pikkedonker zat
zorgen dat ik mijn verlichting niet vergat
nu het gat tussen verleden en toekomst dicht.
Opeens is het nog hartstikke licht
ik kort geleden nog in het pikkedonker zat
zorgen dat ik mijn verlichting niet vergat
nu het gat tussen verleden en toekomst dicht.
Lieveheersbeestjes, lieve, mijn lieve beestjes, waar o waar
zijn jullie gebleven en hoe krijgen jullie ’t voor elkaar
om me elk jaar weer te verrassen
en te overklassen
Jullie doen nooit, zo lijkt het, zomaar iets
Van die doelgerichtheid ik graag iets biets.
Ik weet het goed gemaakt
Alles komt zo op zijn tijd
De sneeuw en de sneeuwklokjes
De laatste wintergast weer naar het noorden
De krokussen en de narcissen komen heus
nog wel weer dit jaar
Komen zacht aan in felle kleuren
Houd ik het voorlopig nog even hier bij
En pluk de dag
Laat de bloemen voor wat ze zijn.
Hoe vaak moet ik nog zeggen
dat de bomen in de lente uitbotten,
hun blad verliezen in de herfst
totdat de groei er uit is.
De wereld is opeens veel te klein
De vulkaan die op uitbarsten stond
houdt de vliegtuigen aan de grond
Gas en puin en as bederven ’t fijn
voor de reiziger. Aandelen zakken
nu de aarde tot grote hoogte wordt gestuwd
In de hogere luchtlagen afkoelt, luwt
Het fijnstof neemt ons goed te pakken.
Windstil: het stuifzand stuift
niet meer, heeft zich neergevleid,
tekent het land voor even
zus of zo een overeenkomst,
luchtstromen die elders gaan.
De zandloper lijdt
De hele wereld aan onze voeten
ligt open, vliegensvlug van hier naar daar
in een handomdraai de keuze
tussen hardlopend dood te lopen
of daarvan rechtsom of linksom weg
Maar ouderen zijn te oud
kinderen nog te jong
daarna alweer gewend
aan de gang der zaken.
Twaalf eendekuikens veel te laat
uit de dop in de herftst over straat
Vraag ik mij af welk lot hun is beschoren
gaan ze met de gevallen blaren verloren.
Nu trippen ze nog vrolijk, kloek
achter de moeder aan op zoek
naar beschut water in de buurt
zodat hun leven even langer duurt.
De bladeren zijn nu rood en geel
Dit jong lentgebroed is mij te veel.
Op de bodem van de sloot
liggen de kikkers bijkans dood
Overleven ze met de antivries in hun lijf
De trekvogels afgemat op hun winterverblijf.
Steken ze die gevederde broeders naar de kroon
De diversiteit van de natuur is wonderschoon.
Ze verheffen luiheid tot een kunst
en zie ik bijna groen van afgunst.
Familie zwaan zwemt mij voorbij
Peddelen met hun gevliesde tenen
door het zoete nat, gaan henen
vanwaar zij op het water zaten voor mij.
Laten mij achter aan de kant
Hier laat de kou zich zien in waterdamp
waar ik me aan de warmte vastklamp
In de verte kust de zon de rand.