Namiddag mist

De mist zet op en de kou kwakkelt
de levende have met hun hebben en houwen
zich spoedt op weg naar huis
de dag zit op de wip, de avond
allengs aan gewicht wint, de nacht
houdt zich schuil om de hoek
de morgen nog een blokje om is

Ben jij daar, lezer, nu alleen
ben ik toch een beetje dichterbij
dan als deze zinnen verloren gingen
aan de leegte, het dan iets leger scheen.

 
 
 

Smeltend

De kou went wel, maar liever
zou ik wennen aan de warmte
en de vonken over en weer
tussen onze lichamen
ogen en woorden
in de greep van verlangen
mijn liefste

Een chocolaatje
is ook maar je dat.

 
 
 

In woorden ingebed

Zij niet in mijn nabijheid is
mij haar kussen ontbreken
haar aanraking, het strelen
wederzijds en het vast omklemmen

mijn oog zich niet verliest
in de aanblik van de ronding
van haar mond, haar schouder
het kuiltje in haar hals, de welving
van haar dijen en hoe ik niet
haar borsten lik en zachtjes bijt

hoe zij mij grijpt en knijpt
en hoe we niet bij zinnen
van geen ophouden weten
en we niet meer weten
waar onze lichamen
eindigen, beginnen
lippen elkaar raken
tongen warm in de holten
elkaar proeven

elke oneffenheid koesteren
het zweet, het vocht
de lijfelijkheid die voert
ten top, het samenkomen

hoe dat niet, van dat verlangen
ja, daarvan
men geen chocola kan maken.

 
 
 

Overbrugging

Een beeld mag mooi zijn
Een geur heerlijk ruiken
Verheffend de muziek
Maar schoon is ook zeker
als men verstaat
wat men onbesproken laat
als de zin achter het schrift
in het hart wordt gegrift.

 
 
 

Thuis

De kou deert niet, de mist incluis
Flarden vliegen mij om de oren
Mijn wielen zich doorgaand boren 
Weet ik een welkom thuis

zonder weerga in het veschiet
mis ik alleen het alleen zijn niet.

 
 
 

Ach, mijn hemeltje

Mijn hart is vol, mijn hoofd loopt over
van gedachten, woorden, die meer
en meer een werkelijkheid scheppen
een droom die los raakt van de wereld
een vlucht neemt
waar jij en ik achter blijven
aan de uiteinden van een regenboog.

 
 
 

Geborgen

Het licht niet wacht
ook al keren we in de nacht
het de rug toe, met overgave
we het zoeken bij elkaar
en soms, soms het langs komt
in een droom, tot de morgen
ons weer verlichten mag
met een kus, een handgebaar.

 
 
 

Aangeschoten wild

De put kan mij gestolen worden
hoogstens in bezonken stemming
Voorbij aan opgelegde remming
ga ik beschonken over horden

Ook al mis ik dan een rijbewijs
ik daarboven uit verrijs.