Afgelopen voorjaar

Vergeten hoe het riet
bij al het groen nog dor
afstak bij al wat wat eertijds
ontsproot en in knop
Vergeten hoe lang
het nog donker was en het duurde
voordat ook de laatste bomen
zich tooiden in groen
en armen en benen ontbloot
tot dagelijkse kost verworden.

 
 
 

Met knipperende ogen

Altijd je ogen geopend, verdacht
op wat zich voltrekt daar buiten
Weet je je ogen op tijd te sluiten,
dat de wereld je blijvend toelacht

Heb je soms een blinde vlek
voor de schoonheid die zo schrijnt
Soms is het de lelijkheid die verdwijnt
Zo mooi is dat, dat is niet gek

Twee benen kunnen tot zover lopen
Twee armen kunnen zoveel dragen
Een hoofd blijft maar stil hopen

dat we ons niet verlagen
blind ons geluk te kopen
de poten van de hoop te zagen.

 
 
 

Zeevrucht

Vissen zwemmen in haar baren
Vissers komen niet dichter bij
dan die schepsels te vergaren
zee op ijs gezet, als het ware

Zij zelf is te groot om te behappen
Een enkele vis, dat maakt ons blij
Weet men er kapitalen bij te lappen
voor vruchteloos vermaak in rij.

 
 
 

Voor de vuist weg

Dommelde even helemaal weg
met mijn handen en benen over elkaar
Was even van de leg:
Welke hand, welk been nu boven lag?
Is dat niet raar?

Wat was er aan de hand?
Moet ik twijfelen aan mijn verstand?
Of geef ik me over aan hun gezag:
gaan waar ik van dromen mag?

 
 
 

Klievend

Generaties lang grauw leven
Brood en spelen het af laten weten
Sappelen om rond te komen
Leven is er niet bij
Drank en drugs voor het oprapen
Geen ouder die nog tijd heeft
Hangen op straat
Scheuren op straat
Gokken en maar één manier

om je nog wat te voelen
voor jezelf, voor de ander
en vooral die gegoede burgers
laten weten dat je er ook nog bent

Onverschilligheid en vernielzucht
ingesleten gewoontes
zo ingesleten als de drang
tot voortbestaan, tot seks.

 
 
 

Bij al het water

De zee kijkt nergens naar uit
Dat is slechts voorbehouden aan hen
die zich ophouden aan haar randen
aan hen die ze op haar wateren duldt

Nergens anders bekruipt de mens
zo een diepgaand verlangen
waar de zee met haar golven
gedachten gedachteloos omhult

Proef ik aan het zout van tranen
haar stromingen, kolken en dralen
weet ze watervlug te verhalen
van wat onze harten beweegt

Of het is de eenling die stil staat
Of het zijn de geliefden samen
De bootgasten achter de horizon
Bloot aan de handreiking van de zee.

 
 
 

Lustig groen

Het zijn de hoogtijdagen van het groen
wanneer de wind nog vergeefs rukt
aan de bomen, onder takkeweer gebukt
laat men toch niet zijn tijd verdoen

aan hopeloosheid, nog dagen zat
zich te verlustigen aan de zomer
wat zich aandient voor de dromer
de herfstbode nog in het vat

Onder deze zinnen wordt geschaard
wat met de nodige warmte gaat gepaard.

 
 
 

Groen van de natte zomer

Het zijn de hoogtijdagen van het groen
wanneer de wind nog vergeefs rukt
aan de bladeren van de bomen, het takke-
weer niet definitief een voorbode
van de herfst, zo mag men hopen

Nog wat dagen in het verschiet
om zich te verlustigen aan de zomer
en al wat daarmee gepaard gaat.

 
 
 

Einder

De zee wacht wel totdat je je bedenkt
dat het te laat is om terug te keren
In de rust zwem je een eind weg
totdat het zoute water je huid
laat rimpelen en het drijven gaat
niet zo makkelijk meer, een keer
zal je het zicht op de zon
toch moeten laten varen
en de maan voor ogen houden.

 
 
 

Gewillig

Nooit zal ik meer daar kunnen lopen
zonder een gedachte aan toen,
toen het volledig nu was, anderen
kunnen komen, niemand ontneemt
de plaats die je inneemt, mijn hart
meer dan voldoende kamers telt
en ook de wilg staat er nog wel even.