Bij alle woorden

Nee, digitaal is het geen kunst
mij zelf bloot te geven
maal als het om het even is
doe’k in ’t echie wat ik hier mis

Een hapje en een drankje
een kwinkslag kan er ook nog bij
met een schone aan mijn zij
houdt het niet op bij een bedankje

Mijn zwaard dat heb ik aangegord
Zo ik mij willig in de avonduren stort
En valt er onverhoopt niets voor
Dan zingt men hier digitaal in koor:

Lang is het leven niet beschoren
Houd je blik gericht naar voren
Zonder verbeelding is geen kunst
Mét, kun je je verheugen in zijn gunst.

 
 
 

Zomerzucht

De zon en ik zijn op z’n tijd best maatjes
aanjager als hij is van al het leven hier
alleen overheerst regen op mijn staatjes
Onbewolkt, zon. Daarmee maak je goede sier

Licht, maar ook warmte buitendien
waaraan we ons bleke zelf mogen laven
op het terras, op het water en misschien
als we nog een zomer kunnen staven

de ijscoman ons wat scheppen doet
op het terras ons glas weer vol
een zwoele avond maakt een zoet

verlangen wakker naar onbeperkte tijd
van praten, stilte, lopen zonder tol
te betalen aan moeten dat ons scheidt.

 
 
 

Gemeenzaam goed

Na enen wordt het toch een keer tijd
Voor tweeën is het nog niet te laat
Drie maakt er één te veel

Ik zie je al slapen
zacht
je adem gaan en je lijf
zich spant, ontspant, het plotse
trekken, het nauwelijks bewuste keren
onder de deken, het reiken
naar de warmte
Een gemeenzaam goed.

 
 
 

Opdonder

Ten ene male slaat men elkaar met woorden
om de oren of het niets is of erger
dan dat, met vuisten, met vuur
wapens in ieder geval, hoe groot
de afstand ook mag bedragen
met welk een bang ook
dan wel geweldig sluipenderwijs
de mens zichzelf de das omdoet.

 
 
 

Vaart

Ontvoerder gezocht voor werk in uitvoering
en mij kan vervoeren
is wat ze zei, ze deed er toen het zwijgen toe
ze maakte een gebaar, of twee
ze wenkte langs de snelweg, waar menigeen
voorbij vloog als van hartzeer geen sprake was

ze stond daar maar, maar
in de oogwenk dat ze opgaf
zich er zelf toe bracht het op een lopen te zetten
in die oogwenk zag een ander haar
voor wie ze was.

(voortgeborduurd op de zin “Ontvoerder gezocht voor werk in uitvoering en mij kan vervoeren is wat ze zei” van Lindiana Valon)

 
 
 

Extra confiture

Als in je mondhoek nog wat jam zit
van een ontbijt op bed of zomaar
van een gehaast eten aan het aanrecht,
kom dan even bij me
en laat me gaan en graag
je hoofd, je mond en ik kijk
in je ogen en op de tast
lik ik zachtjes de hoek van je mond.

 
 
 

Weersverwachting onderweg

Naadloos voegde ik mij tussen lucht en aarde
stil gestaag bewegend bij aarzelende wind
witzilver, zilvergrijs, grijs, grijswit de wolken
velden fel groen en beige van het droge koren
Niet meer dan steeds een vermoeden
van een zon die het landschap mint

De bas van een erfhond
wegstervend propellergeronk
het klagende roepen van een buizerd

Ik wist welke kant ik ging
Het weer had geen idee.

(voorbeeld van buizerd en zijn roep)

 
 
 

Het is al licht wat de klok slaat

Bellenblazen, in gedachten reis ik mee
opgetild onwaarschijnlijk licht
door kleuren bevangen
spelend over het vlak zwevend
zo kwetsbaar, maar nauwelijks meer
dan wij, houden we onze harten vast
laten we onze harten vrij
en met een handreiking
springen in een oogwenk de vonken
over, over en weer.

 
 
 

Alweer de herfst op de agenda

Bederfs treurnis van de bladeren
uiteen gespreid over de grond vergaan
tot voorbij het najaar, klinkklaar
voor de winter intreedt, eet
men de soep zo heet
mogelijk, als de goden vergaderen
over regen, hagel, wind en sneeuw
zij luidkeels boeren en op tafel slaan
ze op de agenda blijven staan.