Er is leven nadat men is opgestaan
in de keuken weer diezelfde kraan
en men vond die rode knop
De koffie ten ene male weer in de dop
Er is leven nadat men is opgestaan
in de keuken weer diezelfde kraan
en men vond die rode knop
De koffie ten ene male weer in de dop
Opeens slaat daar de stilte toe
Mijn hart slaat over als een tel
of wat geen kindergejoel meer
de bomen niet meer ruisen
geen gefluit van vogels meer
geruisloos een libelle helikoptert
joggers zich daar een ongeluk zweten
ik aan het stretchen ben op de vlonder
waar ik doodstil gezeten me laat gaan.
Haasje repje ging ie in een sneltreinvaart
naar de automaat en kwam te laat
daar was ie altijd al om vermaard
Mooi dat hij nu wel voor het altaar staat
Ontmoette haar op een verder leeg perron,
de in blauw en geel getooide, NS’ honnepon.
Steeds doem je op in je woorden
en in de stiltes die je laat vallen
en ik blijf maar naar je willen reiken,
opeens weer helemaal geen wijken
Wat er aan de hand is, is niet veel.
Is er ergens een verborgen plaats,
een open plek in het bos, in de duinen
of een afgelegen inham aan de kust,
water waar we in kunnen staan,
alleen wij tweeën,
waar we de bodem voelen wijken
en zomaar kopje onder gaan
waar we de zon op onze huid
voelen spelen, haar warmte delen,
of ergens een kamer, een tuin,
die we onze eigen wereld kunnen maken?
Pregnant hoe deze woorden tot u komen
aaneengeregen tot zinnen met betekenis
deel ik u mede met enige bekommernis
hoogstens dat u van de zin hiervan kunt dromen.
Het heeft geen zin de wind
de schuld te geven
Het heeft geen zin de regen
te vervloeken als de tranen
over je gezicht lopen,
met je voeten te stampen
als de aarde beeft,
als je nergens bent, zo klein.
Ook al ben ik er nog niet over uit
de dag kan me niet gestolen worden
al serveer ik hem op gouden borden
de dag, deze dag, mijn dag is mijn buit
Hoe licht hij is, hoe zwaar beleefd
dat moet ik toch vooral bekijken
wat op het oog wel stenen lijken
op het tweede gezicht me vleugels geeft
allicht kom ik ermee door de nacht
de dagen in mijn dromen spelen
mijn bewustzijn staat op wacht.
en mag dat de pijn niet helen
dat men er niet dadelijk om lacht
men kan heel wat dagen velen
is het in kommer, is het in pracht.
Uit mijn dak gaan is niet zo’n sterk punt
Soms ga ik echter uit mijn bol
Mijn hart, dat is dan overvol
van alles wat me eerder werd gegund
Opgelegde maat laat ik dan varen
zoek vanzelf het hoog en laag
mij tot onvermoede diepten waag
dan komt het allengs tot bedaren
Stroomt het allemaal maar raak
met de hele ruimte in het verschiet
is de vrijheid in de maak
wat men als boven en onder ziet
dat stelt de dood weer aan de kaak
wordt het ’t zoveelste levenslied.
Drink plenty, maar nog meer niet
Aangeschoten door ’t leven
blijf ik toch wel overeind
zolang als het de schikgodinnen behaagt
Nergens geloof ik in dan vaste grond
onder mijn voeten en lucht
om met volle teugen te ademen,
in bloemen en in groen,
in water en steen
Voorlopig ga ik nergens heen
Ben jij samen met mij?
Ben jij samen met mij nergens,
ergens, god mag weten waar?