De tijd zegt me steeds minder
ze verstrijkt maar en doet de was
zonder dat ik er weet van heb
stapelen herinneringen zich op
dingen die maar gebeuren
en zadelt mij op met niets meer
dan een tekort.
De tijd zegt me steeds minder
ze verstrijkt maar en doet de was
zonder dat ik er weet van heb
stapelen herinneringen zich op
dingen die maar gebeuren
en zadelt mij op met niets meer
dan een tekort.
Jaren geleden is het alweer
God, waren het maar eeuwen
De tijd vliegt, dat zegt men alras
God, ik zou acht op u slaan terstond
als de tijd me niet van slag bracht
als we toch maar leefden
ook al leefden we in tijdloosheid.
Ze kwam zomaar voorbij
en sprak woorden van alledag
woorden die van alle mensen zijn
zo zacht gesproken
waar geen ander ze verstaat
legden ze mijn hart bloot
en meer dan dat.
Mijn hoofd leg ik te ruste
Het wijnglas nog half vol
Resten mij geen dromen meer
dan alleen van jou
Van jou ben ik weg
Nog even respijt
tot de tijd van woorden voorbij is.
Waar ging de nectar heen?
Waar is het stuifmeel gebleven?
De tijd van de bloesem
is alllang voorbij
Op straat zelfs geen restanten meer
Verwaaid, verregend
Alleen groen nog wat er rest
Ik hoop maar dat de wind en de bijen
de bodem legden voor een volgend jaar.
Ook de warme golfstroom
kent haar koudeput
Ook de grootste boom
reikt maar tot zover in de hemel
Zo meet ik van hand tot hand
niet meer dan één meter en vijfentachtig
Als ik ze echter open
stroom ik mee met de tijd
en adem ik van hier tot ginder.
Het watertanden is niet mis
als zij me in de ogen kijkt
of met haar woorden me verrijkt
gaan we aanstonds aan de dis
De tafel is gedekt en het bestek ligt klaar
zoals het betaamt voor elke gang
een exquise maaltijd vindt haar aanvang
de wijn wordt geschonken met sierlijk gebaar
Zo zie ik het voor me in mijn dromen
en mocht het ooit zover komen
weet ik dan nog mijn zinnen in te tomen?
Verliefd op ’t beeld van mijn verlangen
gegrond in van die serieuze dingen
die ten grondslag liggen aan ons wezen
die je regelmatig water moet geven
anders kan je je cel ermee behangen
Ze deed een deurtje open, zo niet twee
zo geen schuifpui over de volle breedte
dat deed ze wel en dan nog één tel
of het leidt tot lief of het leidt tot lee’
Zij mag er wezen volgens mij
en zo gek ben ik helemaal niet
Of ik zelf niet van kleur verschiet?
Talloos blijven immer nog de zaken
waaraan geen woorden worden gewijd
of vuilgemaakt in zwart of wit
Het zijn de zaken van alledag
die niet vermeldenswaard zijn
waarmee iedereen te kampen heeft
–
maar er zijn meer en meer narcisten
anders dan die met een vette knipoog
zichzelf ook wel eens te kakken zetten
–
Het zijn de zaken van alledag
van leven en dood die schrijnen
waarmee iedereen te kampen heeft.
In het geluid gaat stilte verborgen, het ongezegde
wat spreekt van onvergankelijke dingen
spreekt van wat overal en altijd terugkomt
waar iedereen wel weet van heeft
dat spreekt van jou tot mij
van jou en mij.
Laat je je er niets aan gelegen liggen
breng je je leven in stomme verwondering door
Haar maakt het niet uit, als je je ogen sluit
Er blijft altijd wel wit tussen de regels.