Lentekriebels
Blaadjes frisse sla
als ik door jou verzadigd
van honger verga
Het is de onschuld
dat onwaarschijnlijke groen
die mijn hart vervult
Je lichte ogen
oogstrelende hand, al dat
laat zich niet logen.
Uit via ingang
Mijn hoofd zit er nog steeds op
nog steeds bij machte
Wat wil het toch?
Is mijn stoel lui of niet? Dat is
de vraag, die ik achterwege laat
Het point of no return blijft
zich maar verschuiven. Misschien
dat ik nog ’s in jouw ogen kijk
Misschien dat de zee nog eens
spoelt rondom onze voeten en
het water uit onze ogen vergezeld gaat met een lach
Languit voluit gaan: dat kán.
–
Ongeweven
Die roze olifant, die met tanden
en kleine oogjes en zolen
om niet te zeggen zo rond en groot en plat
laat ik achter me
en ook jij moet niet denken
dat ie niet op je zit als een Ganesha
alle vredelievende bedoelingen ten spijt
en het juichend getrompetter
terwijl er niets is om te huilen.
–
Bushokbikini
Wat voor leven leiden je borsten
en dergelijke
zo in het wild
in bikini, ontbloot of onder een boerka verstopt
en waar ben jij dan onderwijl?
–
Winters smachten
In het verschiet ligt de warmte
waar blote voeten over strelend gras
en ik op mijn rug gelegen
hoop de vogels te horen, het gonzen
van de klein gevleugelden
en dat het water zacht kabbelt
en misschien, misschien wel niet alleen.
–
En passant
Achter mij ligt wat eerder
nog voor mij lag, waar
ik geen weet van had
maar had kunnen vermoeden
met enige mate van waarschijnlijkheid.
Hoewel anderzijds uit onverwachte hoek
zich altijd iets onwaarschijnlijks kan voordoen.
–
Bedtijd
Voor het lichaam ja. Mijn hoofd
in de eerste plaats en dan helemaal
tot aan mijn tenen. Maar zelf
ben ik dan even van deze wereld.
–
Poes laat niet af
Het duurde maar. En duurde. Gelegen
op mijn rug wachtte ik af
met één been rechtuit, het rechter andere
opgetrokken met de voet tot aan mijn knie,
totdat het haar, de poes, behaagde
de ontstane holte prijs te geven
Ik koesterde mij in de warmte
en dat er geen beginnen aan was.
–
In de verte
In de nacht ben ik nergens
Maar ik was liever nergens
in jouw armen, tegen je aan
het van te voren weten
dat we in de ochtend tesaam
zouden ontwaken in de warmte
van onze lijven en meer.
–

