Poes laat niet af

Het duurde maar. En duurde. Gelegen
op mijn rug wachtte ik af
met één been rechtuit, het rechter andere
opgetrokken met de voet tot aan mijn knie,
totdat het haar, de poes, behaagde
de ontstane holte prijs te geven
Ik koesterde mij in de warmte
en dat er geen beginnen aan was.

 
 
 

In de verte

In de nacht ben ik nergens
Maar ik was liever nergens
in jouw armen, tegen je aan
het van te voren weten
dat we in de ochtend tesaam
zouden ontwaken in de warmte
van onze lijven en meer.

 
 
 

Brandend gras

Zolang het gras het niet laat afweten
zolang het groen
zich aan ons voordoet
Zolang de lucht niet dicht slibt
een regenboog bij tijd wijle
ons doet dromen over goud
Het water niet verstomt tot ijs dan wel
ons naar lucht doet happen
Een duif vliegt wel naar veilige oorden
Mieren: daar zijn er wel zoveel van
Bij een flinke komeet rest slechts het heelal.

 
 
 

Waterkering

Tot aan mijn middel in het water
in het licht dat breekt. Ik lijk wel
scheef, gebroken, maar het is schijn
die zich niet laat weerhouden
en laat ik mij voorover vallen
met armen wijd: hoogstens
ga ik kopje onder.

 
 
 

Opgepoetst

De nacht liet al niet langer op zich wachten
toen het al tijd was om mijn gedachten
te laten varen
tot het ochtendgloren
en daar voorbij, tevens
ongedacht te ademen, te dromen
zoals het uitkomt.

 
 
 

In de kou

Geen te omarmen
geen vingers om in elkaar te grijpen
geen zacht beroeren
niet heet
niet kloppend
niet vochtig

Vanzelf glijd ik af.

En de regen tikt ook
nog eens tegen het raam.

 
 
 

Venster

Achter de weg
en de wind waait, de wolken
de molen vermag niets
het licht komt en gaat
wat achter het raam verborgen
blijft, dat is een weet
en zelfs dat valt te bezien.