Brandend gras

Zolang het gras het niet laat afweten
zolang het groen
zich aan ons voordoet
Zolang de lucht niet dicht slibt
een regenboog bij tijd wijle
ons doet dromen over goud
Het water niet verstomt tot ijs dan wel
ons naar lucht doet happen
Een duif vliegt wel naar veilige oorden
Mieren: daar zijn er wel zoveel van
Bij een flinke komeet rest slechts het heelal.

–

 
 
 

Waterkering

Tot aan mijn middel in het water
in het licht dat breekt. Ik lijk wel
scheef, gebroken, maar het is schijn
die zich niet laat weerhouden
en laat ik mij voorover vallen
met armen wijd: hoogstens
ga ik kopje onder.

–

 
 
 

Opgepoetst

De nacht liet al niet langer op zich wachten
toen het al tijd was om mijn gedachten
te laten varen
tot het ochtendgloren
en daar voorbij, tevens
ongedacht te ademen, te dromen
zoals het uitkomt.

–

 
 
 

In de kou

Geen te omarmen
geen vingers om in elkaar te grijpen
geen zacht beroeren
niet heet
niet kloppend
niet vochtig

Vanzelf glijd ik af.

En de regen tikt ook
nog eens tegen het raam.

 
 
 

Venster

Achter de weg
en de wind waait, de wolken
de molen vermag niets
het licht komt en gaat
wat achter het raam verborgen
blijft, dat is een weet
en zelfs dat valt te bezien.

–

 
 
 

Kort gesloten

De nacht dient zich aan
of ik doe deur open
en nog één
om van het donker te proeven
de wind, het vocht, een ongeziene maan

Het is wel een heel eind weg
te gaan; het knettert halverwege.

–

 
 
 

Doorheen

Opborrelende woorden, wreed
verstoord door het belletje van de oven
en de liefde, de liefde
die door de maag gaat, laat
het toch afweten bij de hitte
die gloeit en doet smelten.

–