Amper

Rond enen, vroeg en middernacht
Ver weg
de slaap lijkt ver
en geen idee van de maan

Ergens is het nog wel
achtentwintig graden aan de oever
waar ik met je uitkijk en tussendoor
jouw mond kus.

 
 
 

In het verschiet

Hoe jong ik was; hoe ik jong was
Het is me ontschoten

Ik zie het vuur, de blauwe
lucht en wolken
gebouwen en groen om de ruimte
vechten en lachen en bloot, een lieve
stem en ik drink op nog zoveel jaren.

 
 
 

Voor de zomer

Het waait harder aan de overkant
en de boom daar wuift, getuigt
van weer een nieuwe tijd
een nieuwe ronde, maar zonder
eindstreep, zonder winnaars en verliezers.

 
 
 

Zondagstemming (zaterdags)

Druk bezig met niets, wel
niets anders dan wat
luisteren – muziek – en lezen
op internet en wat beantwoorden
ik wacht
installeer onderwijl een programma
en denk aan de vraag
wat zal ik nog kopen en koken vandaag?

 
 
 

Van de wal in de sloot

De sloten blijven het land doorsnijden
Je ziet ze zelden, zelden
anders dan vanzelfsprekend en om hun nut
tot ze een knik maken
tot ze met leven blijken gevuld

Soms valt mijn oog daarop en meer.

 
 
 

Lente

Welke woorden moest ik schrijven
bij die bloemen
Ik liet het afweten bij hun kleur, hun vorm

Mijn hart staat open
als het hunne voor de wind
voor het leven dat voorbij vliegt
om vrucht te dragen voor de winter komt.

 
 
 

Niet gevangen

Met mijn oma ging ik een ijsje halen
Opa – begreep ik later – deed een voorn
aan mijn haakje. Ik vond het
dat glibberige, spartelende, maar niets.
Van vissen is het nooit gekomen.

 
 
 

Kabbelend

De zon kust, als de wind
waait over het watervlak
net zo goed en flonkert
het spiegelbeeld van hele wereld
vertekend voor mijn oog, zo
geruststellend.