De bomen sissen door het open raam
Onweer dat niet wilde komen
Nu is het voorbij, een lichter grijs
De lucht is vaag getekend.
–
De bomen sissen door het open raam
Onweer dat niet wilde komen
Nu is het voorbij, een lichter grijs
De lucht is vaag getekend.
–
Rond enen, vroeg en middernacht
Ver weg
de slaap lijkt ver
en geen idee van de maan
Ergens is het nog wel
achtentwintig graden aan de oever
waar ik met je uitkijk en tussendoor
jouw mond kus.
–
Hoe jong ik was; hoe ik jong was
Het is me ontschoten
Ik zie het vuur, de blauwe
lucht en wolken
gebouwen en groen om de ruimte
vechten en lachen en bloot, een lieve
stem en ik drink op nog zoveel jaren.
–
Het waait harder aan de overkant
en de boom daar wuift, getuigt
van weer een nieuwe tijd
een nieuwe ronde, maar zonder
eindstreep, zonder winnaars en verliezers.
–
Druk bezig met niets, wel
niets anders dan wat
luisteren – muziek – en lezen
op internet en wat beantwoorden
ik wacht
installeer onderwijl een programma
en denk aan de vraag
wat zal ik nog kopen en koken vandaag?
–
De sloten blijven het land doorsnijden
Je ziet ze zelden, zelden
anders dan vanzelfsprekend en om hun nut
tot ze een knik maken
tot ze met leven blijken gevuld
Soms valt mijn oog daarop en meer.
–
Welke woorden moest ik schrijven
bij die bloemen
Ik liet het afweten bij hun kleur, hun vorm
Mijn hart staat open
als het hunne voor de wind
voor het leven dat voorbij vliegt
om vrucht te dragen voor de winter komt.
–
Mijn plafondlamp spiegelt
in het glas van de balkondeur
lijkt wel volle maan
en ik doe maar net alsof
terwijl het werkelijk zo is.
–
Met mijn oma ging ik een ijsje halen
Opa – begreep ik later – deed een voorn
aan mijn haakje. Ik vond het
dat glibberige, spartelende, maar niets.
Van vissen is het nooit gekomen.
–
De zon kust, als de wind
waait over het watervlak
net zo goed en flonkert
het spiegelbeeld van hele wereld
vertekend voor mijn oog, zo
geruststellend.
–