Allengs

Het is nog maar kort geleden
dat de telefoon rinkelde in ons oor
Week in, week uit ging zomaar door
Dat brengt ons bij het heden:

Rinkelen is er niet meer bij
bij de smartphone is het deuntje zus
of zoemertje zo. En de vraag is dus:
wat betekent dat al dies meer zij?

Deze tijd brengt keuzes bij de vleet
Ga je dan rijk of in stoplappen gekleed?

Heil onheil !

Jij bent zeker zo’n woke-woke
Jij bent zeker zo’n conservatief, een fascist
Jij bent zeker zo’n vuile kapitalist
Jij gelooft in sprookjes

En jij. En jij. Jullie geloven ook zomaar alles
Wat recht is is krom. En krom recht.
Wat overblijft:
mensen over één kam scheren
en haat
dat laat zich kennen.

Blijkbaar

Het lag buiten, verloren
in weer en wind, te wachten
op de toevallige passant

Binnen zag ik opeens
bij het wisselende licht van de dag
dat ik een hartje opgelopen had

goed voor een glinsterend gemoed
in een oogwenk, om op te rapen
als ware het voorbestemd
wat is van voorbijgaande aard.

Ouderdom voorbij

Over zo’n 22 jaar ben ik zo oud
als mijn ouders nu
zo’n 79 dus en naar
het zich laat aanzien nu
een twaalf jaar A(a) O(o) W(ee) gerechtigd
en ik heb geen flauw idee
wat mij dan begeestert

Misschien hoef ik dan nog niet
weer in luiers; dan nog niet
Maar als ik niet meer weet
wat een warm woord mij doet
of een warm gebaar
laat mij dan maar
gaan.

Bar en lief

Het hoeft ook niet te verbazen
als je zo middernacht
je in ’t nachtleven hebt gestort
met wat dan ook maar achter de kiezen
in gezelschap dat je na staat daar en dan
dat je alleen bent met elkaar
en wat er uit voorvloeit
is een vraag die er het zwijgen toe doet
zolang de zon nog niet weerom komt
en de nacht en ’t vertier, ’t genoegen
wel eindeloos zich doet voorkomen
een kus of zo zich soms doet gelden
een einde breidt aan god mag weten wat.

Hoe hard de realiteit

De aarde is rond
Het leven plat
Al is dat maar hoe je ’t ziet
Dat neemt niet weg:
wat gij niet wilt dat u geschiedt
doe dat ook een ander niet

Hoe het allemaal ook lijkt
als je je neus stoot
dan is dat niet aan een spiegeling
maar aan de werkelijkheid
die even met je kijk kloot

hoewel: eindeloos kun je daarentegen dwalen
zonder dat de realiteit ‘r gram komt halen.

Net aan

Wat liep ik daar
op wandelvakantie in de Picos de Europa
een groepsreis, met groepsleiders, maar
daarboven: ik vond het pad dat ze namen
wat te saai; nieuwsgierig naar het zicht
in de vallei beneden ging ik onderlangs
een route die me mooier leek, verleidelijker
– van het zogezegde gebaande pad af –

Wat was ik blij dat de helling
zo ruw bleek als schuurpapier
en ik me heelhuids weer kon voegen
een bijna-ongeluk wijzer

[Maar wie zichzelf noot overschat
legt die dan ooit een lat? ]

Vooruit met de geit, niet miereneuken

Het is wat plat
en niet gedaan:
je bent als de maan
zo mooi als de zon zowat

Op z’n tijd een opsteker:
wie maakt dat niet beter?

Mischien hangt het wel af
van wat men heeft om te beginnen
als inborst en of men bij zinnen
is en niet bij voorbaat al te straf

Rechtlijnigheid gaat maar tot zover
Dus: vat dit niet als een haarklover.

Ach, Marlies

De 1ste klas van de lagere school deed ik nog een keer
Toen kon ik daarna natuurlijk best goed voe’bal’n
– een jaar ouder en zo –

Normaal gesproken had ik dan op de middelbare gezwijmeld
van de schoonheid van een klas hoger
maar dat werd dus, voor een korte tijd, die wel een eeuwigheid
leek – en dus nog ruim 30 jaar later in ’t geheugen beklijft –
de Marlies van ten minste twee klassen hoger
de zus van haar broer uit Uithuizen
waarvandaan we met de boemeltrein spoorden noar Stad
op naar het Willem Lodewijk, dat gym met een vernis
van christelijkheid en beschaving

al is vernis de natuurlijke lijkwade van elke school,
met name van de middelbare.

Westen – zoals de wind waait [het kan verkeren]

Op aarde kwam ik hier
in het Westen, het rijke

De oorlogen hier te lande
waren voorbij, alleen ver weg
rommelde het in de marge

En ik mocht achtereenvolgens
baby zijn, peuter, kleuter
jongen, meisje
een puber
en al die jaren,
mijn jaren van onvolwassenheid
hoefde ik me echt niet het schompes
te werken, niet in een fabriek
en ook niet op het land
nee, ik kreeg zelfs speelgoed
zo uit een winkel
en ik hoefde me het niet te verbeelden
dat goed
– al stak juist daardoor elke strafheid nog meer af –

Vanzelfsprekend komt mij alles toe
Geef me! Geef mij! Het is mijn recht!
Het leven: een geschenk, een vloek?
Ouwerwets geleuter, aldus de peuter.