Ontelbaar, oneindig flonkerden speldepuntjes
in het licht van de voorlamp van mijn fiets
mij tegemoet in de schemering
boven het lichte sneeuwdek op de weg
op de terugweg; iets
om mee naar huis te nemen
al was ik daarbuiten al even thuis
in warme kleren gestoken
nauwelijks onder nul en een wind
die geen naam mocht hebben
Laat mij maar ademen op m’n gemak.

