Ik wil niet veel zeggen
maar somst spiegelt het water zo
of golft het in kringen
of als de branding van de zee
en ben ik mijn begin verloren
Het woord me op mijn plaats zet.
–
Ik wil niet veel zeggen
maar somst spiegelt het water zo
of golft het in kringen
of als de branding van de zee
en ben ik mijn begin verloren
Het woord me op mijn plaats zet.
–
Als je elkaar dan in de ogen kijkt
je lacht elkaar toe
zomaar, om niets
dat alles even stil staat
uit het zicht verdwijnt
dat je wel meer zou willlen
maar niets hoeft.
–
Als de woorden je ontvallen
en je niets anders hebt dan lichaamstaal
onbestemd geluid, het schokken
gierend ademhalen en tranen
leg ik een hand op je knie
of sla ik mijn arm om je heen
of als het is van plezier
dan por ik je, sla ik je
en lachen we samen wat af.
–
Van die stenen
in een beek, in de bergen
Voor je het weet
kukel je voorover, languit
en ben je verder van huis.
–
Te fietsen over straat
over krakend knisperende bladeren
de wind die ze ritselend over straat jaagt
door plassen
om het water op te laten spatten
met je benen wijd
en de regen je laat lachen.
–
Knisperende knerpende krakende bladeren
onder mij, maar ik kan niet op
tegen de wind die ze met één zucht
laat ritselen en mij met heimwee vervult.
–
Dan ben ik onbeschaamd
en kus je waar je maar gekust wil worden
te beginnen waar ik wil
in het midden waar je zinnen bloot liggen
waar de vleugels van je schaamlippen
zich zonder schaamte tonen.
Met woorden zoek ik mij een weg
in mijn gedachten. Ze gaan
van hot naar her. Ik weet niet
hoe ze zich gaan verhouden
hoe ze samenpakken tot een kristal
hoe het licht gebroken wordt
waarheen dat licht mij voert.
–
Eén jaar, of twee jaar, geleden
Eendekuikens in oktober
Ik zag ze weer voorbijlopen
Voor de naderende kou
Leven dat zich niet laat tegenhouden
Zij het ook gedoemd.
–
Zo doorzichtig als glas
valt het licht door me heen
gebroken. Broos. Iets kleins
en ik val in stukken, genoeg
om om te smelten
tot een nieuwe bokaal.