Twee bloemen, de lucht
overbrugd, ze maakten toen
elkander een vrucht.
Twee bloemen, de lucht
overbrugd, ze maakten toen
elkander een vrucht.
In de stad is een stuk
een park met vijvers, fonteinen en flink wat
bomen die zich torenhoog verheffen
het ademt vrede, hoe druk ook
– althans, ik weet niet beter –
je ziet er menigeen ontspannen
en iedereen is mooi.
Hemelse goedheid
wat zwoel, dansen tot het licht
onze harten scheidt.
Springt op in het licht
de fontein, vogels zingen
mijn liefdesgedicht.
Vers gevallen sneeuw
onberoerd nog, een zuchtje
laat z’n sporen na.
En kun je de woorden
laten voor wat ze zijn, aanvaarden
het gebaar in ontvangst nemen
zonder meer, zonder terug
te moeten geven
niet meer dan je blijdschap?
Laat me ongrijpbaar zijn
en toch ook om te doorzien
Laat me flitsend zijn
en beminnelijk bovendien
Laat me maar
en tegelijk om op te vreten
Laat me op mijn bergtop
het uitzicht genieten
Laat me koesteren in de dalen
Laat me in de kou staan
genieten van jouw warmte
Laat me in de hitte van het strand
de zomerzon vergeten
samen in de branding.
Het uitbottend groen
berust in de kou, haardvuur
ontstoken, een zoen.
–
Door teleurstelling
omklemd, bevrijd vind ik weer
wat van mijn gading.
Kolonnes mieren:
Hoe raar is dit? Die dieren
mijn lunch verstieren.