Een aanstekelijk liedje in mijn hoofd
een zonnetje ook nog, god zij geloofd
alleen, alsof de duivel er mee speelt
het hoekje om blijkt dat geluk toch ongedeeld
voor die bewoners in tranen viel het doek
hun hebben en houden in vlammen zoek.
Een aanstekelijk liedje in mijn hoofd
een zonnetje ook nog, god zij geloofd
alleen, alsof de duivel er mee speelt
het hoekje om blijkt dat geluk toch ongedeeld
voor die bewoners in tranen viel het doek
hun hebben en houden in vlammen zoek.
Het is nog niet zo
ver, verwachtingsvol uitzien
een spannend cadeau.
Opeens stil, behalve
de centrale afzuiging
de poes op mijn schoot spint
en ver weg buiten fluit een vogel
zo laat nog op de dag
zo vroeg nog in de avond
even niets, voordat de onrust
mij van mijn plek verjaagt.
Zo gepassioneerd
dansen lijf en hart dichtbij
weg wat ons bezeert.
Waar ben ik in verzeild geraakt?
Een kleuter vraagt gewoon
waarom. Waarom? Waarom?
God mag weten waar, waarom
Maar waar God op slaat
dat mag Joost weten.
Woorden bij het leven
om je aan vast te houden
om te delen, te worden gezien
om af te rekenen bij de kassa
het meest onbenullige goed
elk woord een gebed, ingebed
ingewikkeld in verlangen
tussen geboorte en de dood.
Het zonlicht breekt niet
door en blijft in wolkenkleed
ontluikend verdriet.
Hete lust wisselt
af en aan de liefde, zo
natuur bedisselt.
Met wilde haren
buit zij het leven uit, op
woelige baren.
De dageraad gloort
Jouw aanwezigheid hier is
wat mij zo bekoort
Ik weet van zinnen
hoe ze worden gezongen
in langzaam minnen.