Schemering, een ree
verdwijnt ijlings uit mijn zicht
de avondwind mee.
Schemering, een ree
verdwijnt ijlings uit mijn zicht
de avondwind mee.
De lucht spiegelt tussen de walkanten
waar aan de overkant een paar reeën
ijlings de benen nemen
totdat uit het zicht verdwenen
alleen nog het geritsel in de struiken
en mijn adem en mijn gaan.
Groen en wit schilfert
ruwe bast, vlokken op straat
stenen verzilverd.
Riet, eenden, een stel
schor kwakend, concurrentie
Genen in het spel.
Vegen uit de pan
geven meer dan bitterzoet
een gebroken kan.
Achter zwart behang
geplakt, het luide gerucht
een heel leven lang.
Behang! Het behang! Waar is het
behang. En de lijm. Ach
het heeft er nooit gezeten
zodat je nooit hoeft te vergeten
het te vieren van je lang zal ze leven
al is het soms met schrik en beven.
In de kamer van je verdriet
slijten de muren van jouw tranen
ben je daar alleen, niet zo alleen
dat ik je tranen niet zag
en het donker in je hart
reik ik je mijn hand, mijn woorden
die te wensen over laten
het toch een beetje lichter maken
dan in eenzaamheid gedragen.
In gedachten verwijl ik
de wereld van mijn dromen is niet
geschapen, de appel die ik pluk
ik kan hem je niet aanreiken
over de rivier heen
hoe zoet ook het idee
een druppel in het web
van mijn gedachten
parelt in mijn hart.
Zou het voldoende zijn
nu ik zo heb uitgeweid
over de dagen van weleer
en van die daarop volgend?
Dat, nu ik mijn woorden kwijt
ben, het weten resteert?
De bomen groeiden niet tot in de hemel
De bron was niet onuitputtelijk
De bloemen bloeiden niet zonder einde
De zon scheen niet meer op ons neer
In het maanlicht zoeken we ons weegs.