Dat rood, dat onverwacht
in mijn blikveld mijn hart beroerde
Een tijd geleden, bij min vijftien
denk ik daaraan, wat vervlogen
het zonlicht dat werd gevangen
in bladgroen en in kleur
is weg, wat rest
het verlangen naar breekbaar licht.
Dat rood, dat onverwacht
in mijn blikveld mijn hart beroerde
Een tijd geleden, bij min vijftien
denk ik daaraan, wat vervlogen
het zonlicht dat werd gevangen
in bladgroen en in kleur
is weg, wat rest
het verlangen naar breekbaar licht.
Hoe je er nu bijligt
of zit, dat is de vraag
mijn vraag
waarover ik in het ongewisse
verkeer, dat maakt niet uit
Geen bericht is goed, zo
men wel zegt
en laat ik daar maar van uitgaan
Het is is mijn hoop
zeg maar, in bange dagen.
Het was zo’n dag
dat ze vroeg: wat kijk je nou?
dat we ’s ochtends elkaar kusten
tot afscheid, net een fractie langer
dat in de loop van de dag
bij verloren momenten ik steeds aan je dacht
dat we geen zin hadden om te koken
en we zochten een gedekte tafel
en lieten het ons smaken
dat we geen erg hadden in de kou
en alleen oog voor elkaar op de terugweg
dat op het einde van de dag
we elkaar weer zo nabij
als nooit eerder
dat we proefden
van elkaar en elkaar
bevrijdden met een zucht.
Mijn adem sloeg als ijskristallen neer
in mijn sjaal met niet meer wind tegen
dan door mijn eigen voortgang
Mijn gedachten verbleven elders
waar het warm was en zeer
aangenaam vertoeven.
Een bladzijde, het duurt
me te lang, die woorden
die zich aaneenrijgen
tot een pagina vol
zwart op wit
ik weet niet
wat er van te brouwen
het zal me berouwen
ik weet het
maar wie zegt
dat kennis macht is
vergist zich deerlijk.
De leegte knaagt
als het hart nog steeds blijft kloppen
voor haar die zo nabij kwam, zo ver
is nu, dichtbij nog in gedachten
soms in een oogwenk zij me aanvliegt
al is het in gedachten.
soms haar woorden meer spreken
dan het enkele woord alleen
in gedachten denk ik soms, mensen,
mensen, waar moet dat heen?
Blauw, blauw, kom nou gauw
maar dan toch niet zo’n envelop
die bezorgde mij al dikwijls hartklop
z’n boodschap ik meestal niet hebben wou
Heel soms als ik ‘m open scheur
blijkt de kool wel waard ’t sop
klaart de lucht meteen weer op
en stelt de inhoud niet teleur
Maar is de mededeling niet zo fijn
Het zal toch ergens goed voor zijn.
Van dit weer word ik niet warm of koud
ook al komt het uit oostelijke streken
met mijn gevoelstemperatuur vergeleken
eet men het hier nog niet zo zout.
Dan weer sta ik in vuur en vlam
met ’t volgende moment over mijn lijf
de rillingen, en ook dat staat buiten kijf
soms stokstijf, maar toch niet stram.
Het bloed stroomt op deze manier
en ook al is het nog wat op de tast
vind ik mijn weg en schep ik er plezier
in om wat te stoeien met dit nieuws, verrast
zie ik wel wat er nog komt, ik vier
de teugels van het verleden en laat die last.
Opgeruimd ligt het huis
er leger bij
pakt de stilte mij in
ik luister
weet ik mij gedragen en reik
naar het openbreken van de lucht.
De zee is er wel
en ook het eiland
eventueel nog een waterval
waar de zon zou schijnen
op ons beiden, ware het niet
dat jij elders bent
en niet hier, in geen velden of wegen
Zie ik je niet in de ogen
proef ik niet van je voorkomen
voel ik niet de warmte
waar de zon het niet bij haalt
blijft mijn mond onberoerd
vinden mijn handen slechts elkaar
en vertalen mijn gedachten zich alleen in woorden.