Ik vind mijzelf niet noch uit
houd ik het bij mijn doen en laten
krijgt men vanzelf in de gaten
op welk ego men dan stuit
waarmee ik ga door het leven
al wendt het menigmaal de steven.
Ik vind mijzelf niet noch uit
houd ik het bij mijn doen en laten
krijgt men vanzelf in de gaten
op welk ego men dan stuit
waarmee ik ga door het leven
al wendt het menigmaal de steven.
Vederlicht speelt mijn verlangen op in de schemer
stijgt het op naar jou en naar mijn hoofd, in woorden
laat het zich niet vertalen, onbesproken gedrag
de zeden worden los gewogen, de zinnen leger
waar eerder sprake was van onbeheerste rede.
Wegen van asfalt en klinkers en beton
Ik vreet ze allemaal, zo waar, zo zwaar
ze niet wegen, breek ik ze doormidden
kauw ik en zowaar ik meer weeg dan
een ons, spuug ik ze uit en toon het land
afgewogen paden smaragd en diamant
zo waardeloos, zo glinsterend in de zon.
Was ik maar in de wolken
een druppel die een hele
wereld aan licht ving om
te vallen in jouw mond.
Het werk dat daar in zit
in de gebaande wegen
waar ik over ga
Denk er niet licht over
dat ik er niet bij stil sta.
Deze woorden laten ongezegd
wat tussen de regels door valt te lezen
Onder het zonlicht gebogen
ik muziek hoorde
die nooit tot klinken werd gebracht
ik beelden zag
waarvan nimmer sprake was.
Stond ik stil daarbij en liet mij gaan
Ga ik door
een ander spoor
met bestemming onbekend.
Zij daar, aan die kant van de rivier
En ik hier
Met de stroom er tussen
Blote handen schieten te kort
De uiterwaarden reiken maar tot zover
En alleen de tijd weet of de bedding droogvalt
Ook al spreekt het hart
IJle muziek, die in stilte wordt gehoord.
Slaap je al op één oor? Ach
dat doet er ook niet toe, zolang
je ogen zijn gesloten, gedachten de
weg hebben vrij gemaakt voor dromen
die verkeren met de tijd, blijven
waar jij zelf anders aanwezig, komen
de monsters uit jezelf, ze winnen
nooit, altijd is het bijltjesdag, die de
angst de das omdoet, de nachten
bezwijken en je er aan
geloven moet, aan het leven.
–
Ach, zolang de dromen blijven komen,
winnen de nachten aan leven.
Het verleden wappert aan de waslijn
zomaar buiten in de wind, het zonlicht
van vandaag de dag ontegenzeggelijk
kleur brengt waar dat niet was
het zwart-wit beeld plaats maakt
voor meer dan alleen oud zeer.
In de nacht is het donker, maar zo
zwart nog niet dat je je weg
niet kunt vinden, zolang je je ogen
open houdt, of desnoods op de tast
en niet in een zwart gat verzeild
bent geraakt en teneergeslagen
in de kreukels wacht
totdat je wordt gevonden
en opgeraapt
misschien.