Vrij

Zeg me eens, wat betekent
een bloem aan de kant van de weg?
een mot fladderend gevangen in lamplicht?

Zeg me eens, wat betekent
met volschreven blad beginnen elke dag
dat je elke keer opnieuw geboren mag
worden, worden wat je nog niet was?

Zeg me eens, wat betekent
dat je niets uitsluiten kan
een hele wereld open?

Opgetild door de golven,
of overspoeld door dat zicht
dat je niet meer weet waar de zin ligt?

 
 
 

Lentegevoel

Het wil wel eens koud zijn in januari
Je went er aan, je kleedt je er op
Wat niet wegneemt, in een hartklop
kan je worden overvallen, wis en drie,
door vlinders op een dag als 30 februari.

 
 
 

Te vroeg

Het is toch wat: die arme stakker
werd voor de wekker aan weer wakker
Hij verzon een niet zo originele list
en heeft zich onder de douche wat opgefrist

Met z’n beide benen op vaste grond
kust ie goed gemutst de morgenstond.

 
 
 

Nou hele maal

Het gist onder het oppervlak
De schimmels er welig tieren
Zo de goede smaak verstieren
Ze gaan alras weer uit hun dak

over die die zichzelf tot zegsman koos
Zijn statements: die zijn weer-ga-loos.

 
 
 

Bui

Het licht is in de dag gekropen
grijs en nat, het deert mij wat
heeft het niet de overhand
ga ik buiten mijn verstand
denk ik gehoekt en buiten zinnen
de tranen, die zijn afgedropen.

 
 
 

Te buiten

Weet je? Vanochtend keek ik naar buiten

zag de wolken spelen met licht
de nevels in mijn hoofd verdwenen
mijn hart open en in dat vergezicht
plaatjes aan de horizon verschenen

Als een bouwvakker hoorde ik mijzelf fluiten.

 
 
 

Woorden, ja ja, woorden

Veel te lang al hulde ik mij in zwijgen
in fantasie zocht ik mijn vlucht
liet ik de beelden zich aaneen rijgen
maakte ik van mijzelf een klucht

Leerde ik mij kennen vanuit de droom
en de botsing met de werkelijkheid
heeft mij enigszins verrijkt
Nu is het tijd: ik kom op stoom.

 
 
 

De zon voor jou

Hier, wat zon
Doe maar alsof je ligt
in de luwte van de wind
op de zonzijde van het duin
de zee steeds verder weg klinkt
je één wordt met de warmte
je afdwaalt naar hier en ginder
even van de wereld, een vlinder
die niets meer hoeft
dan de zon alleen.

 
 
 

Alledaags

Wat heeft het ook om het lijf
dat verlangen uit die bodemloze put
te ontsnappen, te landen
in iemands armen en meer
nog in kussen te verdrinken
oeverloos verloren, smeltend
bij de blik die onweerstaanbaar
je laat vliegen met al die vlinders

Zo sterk, al is ’t alledaags.

 
 
 

Het vuur laat mij niet klein

Malende gedachten, om haar
die ik eerder in mijn hart sloot
woorden daar binnenskamers
blijven in mijzelf en verborgen
onder handbereik van mijn gemoed
smeulen liefde en de lust
levend en wel, ik begroet de tijd
ook al gooit die nog zoveel roet.