Nabij

Laat het je warmte zijn
– leven, bloei –
dat ik voel
al kruipt het tussen kieren en barsten
al is het over afstanden van zover
ik weet dan
jij bent mij ook zoals ik jou
al zijn we nog zover
al verschillen we nog zoveel
als ik je warmte voel
branden we licht
al is het op.

Onmacht is een gedeeld goed

Nog eentje dan? Nog een woord?
Iets van zin? Betekenis?
Of toch maar nóg een hapje van de mousse?
Of liever een hand, een arm
om je schouders?

Woorden bij de vleet
juist als er geen woorden zijn
die recht doen
Soms zijn die woorden niet meer
dan een vorm van zwijgen
van ons mensen
die nu eenmaal hoofden hebben en tongen.

Ongegrond

En dan val je
na het eten
of met bord op schoot
en na thuiskomst even op internet
Dan val je
in het nieuws
Dan val je

En dat is dan niets nog
met hoe diep en zwaar zij vallen
in oorlog
waar vaste grond
onder hun voeten weg is.

Ongeloof

Ik wens dat ik kon bidden
tot zo Iemand – met een hoofdletter –
die alles goed kon maken
al was het nog zo slecht
Maar mij rest niets dan wensen
en soms een kaarsje of wat
alsof ik bid
terwijl ik het allemaal niet meer weet.

Kruistocht

In het bos van de sprookjes
kan het ook spoken
naast al ’t liefelijke leven
van dag in dag uit

Op kousenvoeten betreed ik het mos
langs de beek en waar de stenen
liggen in een hart, en myriaden
herinneringen opgewekt zingen
desgevraagd, verstil ik in een oogwenk

Nergens was ik eerder thuis

O madelief, jij weet te bloeien
in weerwil van de koude
weet je je te onttrekken aan de grond
O madelief, aan wie, wanneer
geef ik een krans.

Verloren

Ergens ben ik kwijt geraakt
wat ik had willen zijn wellicht
waar ik hoop had
al was het al nooit meer
dan een vergezicht in de mist
en bezag ik mijzelf ook niet zozeer.

Hartig

Altijd al op glad ijs
Aan klapschaatsen kwam ik niet toe
Wel ging ik snel van houtjes
naar lage en zelfs naar de hoge noren
Dat nam niet weg dat ik ooit op de terugweg
van Groningen-Appingedam op het Boterdiep
vermoeid met terneergeslagen blik
in het wak met eenden en dergelijke
pardoes en toen met schoolse slag
naar de overkant zwom
– bij Zuidwolde –
Of ik nu aarzelend schaats of zwem
van harte gaat ’t niet
al maakt mijn hart zo af en toe een sprong.

In gods naam [deel uitmaken]

Als het zo uitkomt
wil ik bij gelegenheid
nog wel ’s leven; alleen
voordat ik dat maar kon zeggen
was er alweer een oogwenk voorbij
in het licht van de zon bekeken
om niet te spreken van melkwegs leven

Toch worstel en lach ik bij
tijd en wijle, daar en vooral hier
op dit stukje aarde
dat ik deel.

Om niets

Nog een rondje. Nog ééntje.
En nog een rondje om.
De winter kwam, daarvoor nog de herfst
De zomer laat zich raden. De lente ook

Weldra breekt die aan:
nog één rondje om
de zon, al beginnen de dagen
te tellen. Jong was je, ben je
als de zon opkomt en weer ondergaat
als de nachten en de dagen
je overkomen en je doet er niet aan
aan nog een rondje om
als alles al rond is.