Altijd al op glad ijs
Aan klapschaatsen kwam ik niet toe
Wel ging ik snel van houtjes
naar lage en zelfs naar de hoge noren
Dat nam niet weg dat ik ooit op de terugweg
van Groningen-Appingedam op het Boterdiep
vermoeid met terneergeslagen blik
in het wak met eenden en dergelijke
pardoes en toen met schoolse slag
naar de overkant zwom
– bij Zuidwolde –
Of ik nu aarzelend schaats of zwem
van harte gaat ’t niet
al maakt mijn hart zo af en toe een sprong.
In gods naam [deel uitmaken]
Als het zo uitkomt
wil ik bij gelegenheid
nog wel ’s leven; alleen
voordat ik dat maar kon zeggen
was er alweer een oogwenk voorbij
in het licht van de zon bekeken
om niet te spreken van melkwegs leven
Toch worstel en lach ik bij
tijd en wijle, daar en vooral hier
op dit stukje aarde
dat ik deel.
Om niets
Nog een rondje. Nog ééntje.
En nog een rondje om.
De winter kwam, daarvoor nog de herfst
De zomer laat zich raden. De lente ook
Weldra breekt die aan:
nog één rondje om
de zon, al beginnen de dagen
te tellen. Jong was je, ben je
als de zon opkomt en weer ondergaat
als de nachten en de dagen
je overkomen en je doet er niet aan
aan nog een rondje om
als alles al rond is.
Dat was nog eens [Schoorl]
Niet heel ver van de zee
voorbij de duinen waar ik
mijn vliegtuigje katapulteerde
in het vakantiepark
dat weet ik niet hoe groot was
zoals het bos dat we betraden
waar we verdwaalden
en het onweer verontrustte
en ik aandrong als grote kleuter
op toch maar eens die andere weg
na de tweede passage, of de derde
die ons inderdaad weer veilig thuis bracht
naar ons houten huisje in het vakantiepark bij Schoorl.
Voorbij altoos [Amsterdams peil]
Altijd leefde ik zomaar ergens
Ik wou dat ik kon leven in mijzelf
De lucht is blauw. De lucht is zwart
Soms istie grijs en de zon kan branden
Het zand aan de zee is onderhevig
aan de wind, aan de zee
Mijn opa was een baken
te lang geleden
in Amsterdam.
Vanzelf
Mijn handen neem ik
voor vanzelfsprekend
voor zolang als het duurt
al laat de omloop van mijn bloed
mijn vingers tintelen
evenals – vanzelfsprekend – als
ik aan je denk en met name
je huid, je mond, je ogen
niet in de laatste plaats
en je lach en je tanden
als ik aan je denk
en je zo beroer
dat je ogen, je huid en mond
samenzweren tot dat moment van vergetelheid.
Overvloedig
Langs de eblijn
zover als mogelijk van het land
durf ik amper een voet te zetten
Alleen uitgekiend
treed ik het vergankelijke tegemoet
– of ik moet er niet bij stil staan –
en verder kom ik niet dan de vloed reikt.
Eenvoud
Je bent het niet gewoon, hè
zo in levende lijve
en dan gewoon maar wat
praten en aftasten en de wereld laten
voor wat het is, alleen maar
met z’n tweeën?
Er was misschien eens
een tijd en een jongen
– van ouder durf ik niet eens te spreken –
die nog zonder hoofd
het moment kon pakken
met een woord
en zelfs nog een kus of wat
Gelukkig tellen de jaren
niet in alle opzichten.
Wonderkruis
Horloge tikt
Heelal draait
Ik begrijp geen snars
En dan zie ik ook nog beren
Almaar in mijn melkweg
Kan ik niet anders dan suikerbrood smeren
Al houd ik ook van de beet van een zure appel
En is het allemaal zonde
En dat zonder dat Eva mijn pad kruiste.
Bloedgroet
Verdomme ! Ik zag vandaag
geen bloem. Geen enkele.
Nu ik er aan denk, denk ik
dat het me niet opviel
tot nu net, maar ik maak
het goed gemaakt met u
en ik deel alsnog mijn eigen hart:
een roos, zo rood en vol stekels
om je voorzichtig te verwonden
en te bloeden om de dag
voor de dageraad weer aanbreekt
de toekomst in gruzelementen slaat
een flonkering van kleuren
welbeschouwd.

