Niet zondermeer loop ik over water
Niet zondermeer ga ik te voet
Geef me de tijd die me niet gegeven is
en alsof het niets is verzet ik bergen
Laat me mijzelf achterwege laten
en ik sta voor niets
Kon ik met woorden een brug bouwen
dan was ik via de maan en de zon
al in de zevende hemel gekomen
en boven mijzelf.
Wit licht
Afgrond
Omarmde [terust]
De woorden zijn nog geen zinnen
verschuilen zich, spelen nog verstoppertje
Ik doe zachtjes aan
Aarzelend klopt één op de deur
van mijn gedachten
Het fluistert van de tijd van onverschrokkenheid
van uit volle macht scheuren op de step
over de brede stoep
mijn ogen open voor de wereld
Het bos van de stad was nog groot
Opa met de eekhoorn op zijn schouder
Ik wist niet dat ik klein was
al wist ik me geborgen.
Wel, wel
Tandeloos (een kerstgedachte)
sta ik met mijn mond vol tanden
als het jochie in mij vraagt
wat dan wel de zin is
– buiten deze –
van niet alleen maar dit leven
maar ook nog hemel en hel
al dan niet op deze aard
Met een beetje geluk
zo stamel ik
weet je er wat van te maken.
Mocht je nu hier zijn
Weet ik veel [jeuk]
Van één tot zes
Lang geleden
of kort
– het is maar hoe je het bekijkt –
of het allang voorbij is
of het wel lijden was
– of hoezeer –
1968 was het jaar
het jaar waarin ik ter wereld kwam
en de uitkomst
die laat zich raden.
Het mag bekoren
Ook mij is een leven beschoren
zolang ik me niet wegscheer
ben ik niet verloren
En al schuim ik niet de straten af
liggen mijn wilde haren al in ’t graf
mijn dagelijks doen en laten
geven me mijn natje en mijn droogje
Het is straf:
het mag bekoren.

