Uitgestegen

Niet zondermeer loop ik over water
Niet zondermeer ga ik te voet
Geef me de tijd die me niet gegeven is
en alsof het niets is verzet ik bergen
Laat me mijzelf achterwege laten
en ik sta voor niets
Kon ik met woorden een brug bouwen
dan was ik via de maan en de zon
al in de zevende hemel gekomen
en boven mijzelf.

Wit licht

Wil je me
mateloos, ingetogen
langs de rand
van het zwembad of de branding
Wil je me
als de lotus of joggend
langs het strand of bij de fontein
Wil je me
met huid en haar of mijn gedachten
of alles bij elkaar?
[Om maar niet spreken van mijn ik
en wat ik dan wil]

 
 
 

Afgrond

Weg ga ik
van al te veel
al vrees ik ook wel
alleen over te blijven
met de pijn van het leven
Ik zoek m’n weg
langs de randen van contact
Ik loop langs de weg van spijt.

 
 
 

Omarmde [terust]

De woorden zijn nog geen zinnen
verschuilen zich, spelen nog verstoppertje
Ik doe zachtjes aan
Aarzelend klopt één op de deur
van mijn gedachten

Het fluistert van de tijd van onverschrokkenheid
van uit volle macht scheuren op de step
over de brede stoep
mijn ogen open voor de wereld

Het bos van de stad was nog groot
Opa met de eekhoorn op zijn schouder
Ik wist niet dat ik klein was
al wist ik me geborgen.

 

Wel, wel

Nee, nee, ik pieker niet
Alleen, als het donker is
geworden, dan kan mijn hoofd
het niet laten om willekeurig wat
me te binnen te schieten
alles wat bij daglicht dan links
blijft liggen, uiteenlopend
van krokodillen en katten en pyramiden
van de supervisor die vertrekt
en wat ik daar wel niet van vindt
van mijn pa waar ik dan twee van heb
– nurture vs nature –
van banktegoeden en de moed
– onafgemaakte associaties –
van pipo en zijn geschminkte lach
en of dát dan gelukkig maakt
van geloof en onzin en houvast
van regelmaat en reinheid: hoe
– hoe, hoe dan, in vredesnaam –
van de regenboog en de loterij
het geluk en hoe je dat
van lot naar her
en dergelijke
of zo
.

 
 
 

Tandeloos (een kerstgedachte)

sta ik met mijn mond vol tanden
als het jochie in mij vraagt
wat dan wel de zin is
– buiten deze –
van niet alleen maar dit leven
maar ook nog hemel en hel
al dan niet op deze aard

Met een beetje geluk
zo stamel ik
weet je er wat van te maken.

Mocht je nu hier zijn

O wacht, dat ben je, jij
die dit leest
en een beetje van mij
tot je neemt
Als je me niet kent
dan hoop ik maar
dat je niet mijn kop wil doen houden
– al ben ik daar wel gehecht aan, aan mijn kop –
Als je me niet kent
misschien heb je even tijd
in ons korte leven
een moment te delen wat kostbaar is
Ik houd van mijn leven
vooral als ik niet ongelukkig ben
en zelfs daarbuiten houd ik eraan vast
Zoveel schelen we denk ik niet
De smaak van een stuk ananas
De geur van vers gemaaid gras
Of van kaneel
Je lief die je aankijkt
Zo goed ken ik je niet
Ik geef je de hand
een omhelzing, wat je wilt
een kus als het je om het even is.
[En zo hier is het makkelijk gedaan]

 
 
 

Weet ik veel [jeuk]

Ik krab me op mijn hoofd
En dat terwijl ik weet
dat a) dat begrip “ik” ook maar
een begrip is dat het gemak dient
dat b) ik uit cellen besta, uit atomen en zo meer
zoveel meer dat er eigenlijk niets van overblijft
tot in de eeuwigheid en amen
[ook ‘niets’ en ‘alles’ vooronderstellen al een wereld
van dingen, terwijl er – nou ja – niets is
of toch alles
Ach, weet ik ook veel. ]
 
Los daarvan allemaal
kun je liefhebben, haten
boos zijn, onzeker
vertwijfeld, verlangen
naar bijvoorbeeld vertrouwen
steeds maar vragen om bevestiging
van zelfvertrouwen tot overschatting
En, oh, angst, laten we de angst niet vergeten
de aanjager van alle leven
en soms ook in de brouwerij.

 

Van één tot zes

Lang geleden
of kort
– het is maar hoe je het bekijkt –
of het allang voorbij is
of het wel lijden was
– of hoezeer –
1968 was het jaar
het jaar waarin ik ter wereld kwam
en de uitkomst
die laat zich raden.

Het mag bekoren

Ook mij is een leven beschoren
zolang ik me niet wegscheer
ben ik niet verloren
En al schuim ik niet de straten af
liggen mijn wilde haren al in ’t graf
mijn dagelijks doen en laten
geven me mijn natje en mijn droogje
Het is straf:
het mag bekoren.