Verzucht

Zoals de wind gaat liggen
Ik doe het wel
maar uitgestrekt in een klap
stoel en laat het mij welgevallen
deze avond bewaar ik jouw dag.

 
 
 

Schemertijd

In de schemer. Maar was het nu
van de ochtend, was het van de avond?

Ik ben de draad verloren, tel
mijn knopen en zwem vrij een eind

weg naar het donker, naar het licht
houd ik het vergezicht voor ogen

de grond die me voor de voeten komt
van geen ophouden weet.

 
 
 

Beter is het leven niet

Zou men niet willen afslaan
de gebaande weg verruilen voor het onverharde pad
of onder het licht van de sterren
zijn weg willen vinden
door het ongebaande veld, door het bos
en niet bang zijn in het donker?

Zou men niet de beschaafde wereld achterlaten
eten wat men voor de voeten komt
en een vol leven leiden op de koop toe?

Zou men niet willen afzien
om te overwinnen
aangewezen op elkaar
en door te zetten
dat de kinderen nog verder gaan?

 
 
 

Uit en te na

De wind over het strand, het zand
stuift en suist en dichterbij de rand
de branding bruist en de golven
uiteenvloeien, sissend schuim,

daarboven uit
het gejoel van kinderen in de verte
het schorre roepen van een meeuw
richt ik mij op, verhef mijn stem
en schreeuw

de zee maakt het niet uit
als ik het zout van mijn tranen
afspoel in het zout van de zee.

 
 
 

De stilte voorbij

Soms schreeuw je
om jezelf niet te horen
om de pijn te overstemmen
en dan schreeuw je het uit
de pijn vergaat
het verdriet gebonden aan het hart
het leven niet te na gesproken.

 
 
 

Eenstemmig

De smaak van verdriet
vult als droge beschuit mijn mond
het beleg achterwege, ongegrond
verlangen naar een meerstemmig lied

Drink ik het water
dat ik eerder in tranen vergoot
neerwaarts ophoudt in kleine dood
opwaarts komt wel later

Nu de melodie berust in unisono

 
 
 

Daarbij

In gedachten streel ik je daar
In gedachten kus ik je daar
waar het verlangen spreekt
zo te strelen, te kussen
de zinnen overlopen

Het bij dromen blijft
Ze hebben niets om het lijf.