Een beetje noodgedwongen opgewekt
kijk ik in mijn hart en vind daar
een lach en een traan
gebroederlijk een veer laten
een vlucht naar bekende oorden
waar droom en werkelijkheid overlopen
in elkaar en een dansje maken.
Een beetje noodgedwongen opgewekt
kijk ik in mijn hart en vind daar
een lach en een traan
gebroederlijk een veer laten
een vlucht naar bekende oorden
waar droom en werkelijkheid overlopen
in elkaar en een dansje maken.
Het hoofd raaskalt opbeurend
ik mijn woorden neerkrabbel
waar de appels ver zijn te zoeken
de liefde is me verschoond gebleven
tot ze haar opwachting maakt
in vol ornaat bijt ik op een houtje
en kauw ik mij een toverstaf
en laat het woorden regenen
stukjes die wachten wortel te schieten.
In gedachten verwijl ik
de wereld van mijn dromen is niet
geschapen, de appel die ik pluk
jij bent te ver om aan te geven
druppels in het web van mijn gedachten
parelen in mijn hart.
Mijn woorden zijn getekend
uit een bron gekomen
die niet van smetten vrij is
Weten ze niet glad te strijken
en gebroken glinsterend in het oog
gesprongen, niet onberoerd voorbij
Welk leven ze gaan leiden
onttrekt zich aan mijn pijnlijk zicht
daar kom ik niet meer tussenbeide
al reist mijn verlangen met ze mee
donker, zwaar op het helder wit
tussen de regels, daar zit
ik vogelvrij gevangen.
Deed ik eerst mijn ogen dicht
en een moment later weer open
moest ik kort door het donker lopen
zie een knop en het was weer licht
Was het ook zo makkelijk figuurlijk
zat men nooit in zak en as natuurlijk.
Een dun laagje wit, vers
over de dagen van oude sneeuw
het zwarte ijs net afgedekt
lijkt de wereld grijs en stil
de kou de aftocht blaast
blijft het bij nul graden
waar het water is gestold
Onuitgenodigd treedt het binnen
in de kamer waar de ijsbloemen
van de ruiten zijn afgedropen
het effen licht zich
een weg baant en mijn doen
en laten doet verstarren, opgezadeld
met een verlangen naar eens zoveel
warmte als toen de kou nog heerste.
In elkaar gedoken
van de wereld weg
alle warmte die je rest
omhels je, gesloten ogen
buitengesloten
omhels je het donker
dat de zinnen bedaart
een warm handgebaar
een vraag hoe het gaat
laat je schouders schokken
of nog dieper
wegkruipen in elkaar.
De tijd verglijdt en baart mij
geenszins zorgen, dat is
voor morgen, als de tijd
gekomen is om
met een been uit bed te stappen.
Er was Nelis, er was Felix
Dolci vergezelt me nog
Dat hartzeer bij ’t verscheiden
Toch laat ik maar niet los.
Kinderen, kinderen, ouders
praat me er niet van
de schrik me om het hart slaat
kinderen te overleven.
Zo’n dag
dat het licht je zwaar valt
dat het zweet je uitbreekt
als je naar buiten kijkt
en je ziet al die mensen
zich begeven op glad ijs
dat het een lieve lust is
dat je liever in een boek duikt
waar de letters dansen.