letters op het wit
klanken in de lucht
waar ik op doel
is jou gegeven
als het goed is
lopen we samen op
en komen nog ’s ergens.
letters op het wit
klanken in de lucht
waar ik op doel
is jou gegeven
als het goed is
lopen we samen op
en komen nog ’s ergens.
De bel voor het speelkwartier is gegaan
allang. Ik wordt geacht te spelen
maar kies mijn eigen tijd
ik kan het niet verhelen
gelukkig ben ik toegesneden
op wie mijn hart verblijdt
het speelveld is gemaakt
van spinsels uit ons hart.
–
In geen velden of wegen
is er zon en ook geen
oliebollen, waar het de tijd
van het jaar ook niet voor is.
In geen velden of wegen
geen beer te bekennen
ik zou er nog van schrikken
als ik niet net had gegeten
In geen velden of wegen
een weg te zien, noch heg
maar jou weet ik hier
al is het werkelijk virtueel
met de moed der wanhoop
reik ik door het beeldscherm
en pak je in met woorden
een lint in je haar
de afstand klaarblijkelijk ogenschijnlijk.
–
Zoals de wind gaat liggen
Ik doe het wel
maar uitgestrekt in een klap
stoel en laat het mij welgevallen
deze avond bewaar ik jouw dag.
De vloer ligt effen onder mijn voeten, gevlamd
hout houdt mij op de aarde, ik reik
naar de zwaarte in mij, zwevend
in het gezelschap van velen
de zee is altijd dichtbij en de golven
laten zich niet weerhouden.
–
In de schemer. Maar was het nu
van de ochtend, was het van de avond?
Ik ben de draad verloren, tel
mijn knopen en zwem vrij een eind
weg naar het donker, naar het licht
houd ik het vergezicht voor ogen
de grond die me voor de voeten komt
van geen ophouden weet.
Zou men niet willen afslaan
de gebaande weg verruilen voor het onverharde pad
of onder het licht van de sterren
zijn weg willen vinden
door het ongebaande veld, door het bos
en niet bang zijn in het donker?
Zou men niet de beschaafde wereld achterlaten
eten wat men voor de voeten komt
en een vol leven leiden op de koop toe?
Zou men niet willen afzien
om te overwinnen
aangewezen op elkaar
en door te zetten
dat de kinderen nog verder gaan?
De wind over het strand, het zand
stuift en suist en dichterbij de rand
de branding bruist en de golven
uiteenvloeien, sissend schuim,
daarboven uit
het gejoel van kinderen in de verte
het schorre roepen van een meeuw
richt ik mij op, verhef mijn stem
en schreeuw
de zee maakt het niet uit
als ik het zout van mijn tranen
afspoel in het zout van de zee.
Soms schreeuw je
om jezelf niet te horen
om de pijn te overstemmen
en dan schreeuw je het uit
de pijn vergaat
het verdriet gebonden aan het hart
het leven niet te na gesproken.
Een ambulance nadert met sirene
Binnen ligt een mens
Toonbeeld van eindigheid
Ben ik even nergens
Wat maakt dat toch een leven.