Met de voeten in de branding
dan tot aan mijn knieƫn en, oeh,
de golven slaan tegen mijn buik
Werp ik mij voorover, kopje onder
verlies de vaste grond onder mijn voeten
en even ben ik nergens meer.
Met de voeten in de branding
dan tot aan mijn knieƫn en, oeh,
de golven slaan tegen mijn buik
Werp ik mij voorover, kopje onder
verlies de vaste grond onder mijn voeten
en even ben ik nergens meer.
Hoe rond de wereld ook is
Ze haalt het niet
bij de ronding van haar lichaam
Haar schoot is dieper
dan ik me verliezen kan
in de ruimte.
De holte van je voet,
de ronding van je hiel
die doorloopt vloeiend naar je kuit
en verder omhoog zich verbredend
tot je heupen die zich welven
en de knik van je taille
die een voorbode zijn
van nog meer welvingen,
je hals strekt zich,
je kin, maar nog meer je mond
om van je ogen maar niet spreken
en je haar een waterval.
Ik sta sprakeloos,
dus beperk ik mij maar tot deze woorden.
Het raadsel houdt stand
Ik weet niet waar ik het zoeken moet
En dwaal van hier naar daar
Of vergeet het maar uit alle macht
De woorden die ik ervoor bedacht
zetten me op het verkeerde been
De wereld lacht zacht.
Waar zijn de lippen die smaken naar vanille?
Het is alweer een tijd geleden
Waar zijn de ogen die schitteren als diamant?
Het is alweer zo lang geleden
Waar is de lach die klatert als een beek?
Mijn ogen zijn allang weer droog
Welke huid is zo zacht
dat ze mijn gedachten doet verbleken?
In de spiegel lijk ik toch
het meeste op mijzelf
als ik naar mijn ouders kijk
zie ik een beetje minder
maar ben ik toch
een beetje minder alleen.
Klokslag drie over elf
Weer een uur voorbij en verder
ben ik met mijn gedachten verder
weg dan ooit tevoren.
Deze woorden:
een piepklein zandkorreltje in een zee van tijd.
Nu de zomertijd is aangebroken
de liefde is ontloken
Cupido’s pijl de één vreugde brengt
de ander met pijn het hart doorstoken.
Houd ik me op de achtergrond en zie
het krieken van de dag, de volle maan
die komt en gaat, de eb en vloed
Houd ik mijn voeten droog.
Doodstil houd ik me
De tijd kruipt over mijn huid
Totdat niets anders rest dan de vraag:
waar ben ik gebleven?
Kom nu eens in mijn armen
en laat mijn hart je verwarmen
dat klopt genoeg voor twee
de rivier, zij sleurt ons mee
we overleven met geluk
keien en woeste baren
gaan we een stuk, stuk
gaan we ieder dan ons weegs
wanneer de dood ons scheidt
zonder diploma x wijd en zijd.