Zotkop

Nachtbraken bij het ochtendgloren
ben ik ten ene male niet meer in staat
welke schone dan ook te bekoren
Deze nacht hield ik geen maat

Allengs werden mijn kansen kleiner
de mist in mijn hoofd steeds dichter
ook al leek het die avond toch steeds fijner
mijn portemonnee werd maar steeds lichter

Een streling hier, een knipoog daar
Steeds bleek het weer een leeg gebaar.

 
 
 

Kloek te boek

In de winter houd ik mij staande
in de kou in lange onderbroek
sta ik in mijn hemd en blijf ik gaande
mijn imago van een vent hier opdoek

in overkleren ik verstoppertje speel
mijn uiterlijk voorkomen met u deel.

 
 
 

We zijn er bijna / nog lange niet

Nee, dit is geen vrolijk deuntje
en maar goed ook dat dit niet vrolijk is:

De dood komt met zachte handen
of hard en rauw, onverwacht, nooit gedacht
of langzaamaan verstikkend met pijnen
die langzaam wennen
of niet

Duister is zij, maar niet als de nacht
De nacht kent nog een horizon
waarachter de zon tevoorschijn komt
kent nog de sterren
ook al gaan ze soms schuil

Ze is de slaap waarvan men weet
nooit uit te ontwaken
Ze is een slaap die droomloos is
zonder einde, ook niet eindeloos

Onvergelijkbaar met nacht of dag
de avond of de morgenstond
stelt men zich er van alles van voor

Maar of het tegenvalt of niet,
wellicht is dat niet eens afwachten geblazen.

 
 
 

Nieuwjaar, hoezee!

Al meer dan 2009 keer oud- en nieuwjaar
Aan het begin hadden ze ’t wel voor mekaar
Een paar lijntjes met houtskool en wat plantensap
Als jaarwende was dat een grote stap

Oliebollen hadden ze wellicht nog niet
maar hun wild verdiende geen kleiner loflied
Om van nieuwjaarsrollen niet te spreken
Ecologisch hadden ze ’t mooi bekeken

Nu moet ik mij in bochten wringen
Om ’t nieuwjaar origineel te bezingen
Geloofde ik maar in dat christendom
met 5000 jaar geschiedenis leek ik niet zo stom

Nu rijm ik maar noodgedwongen in paren
en wens ik ieder op de woelige baren
een vaste hand aan het stuurrad van het leven
en niets om later te vergeven. 

 
 
 

Halsoverkop

Jouw ogen, toen ik daar in keek
smolt ik helemaal weg
en mijn hart sloeg over
en nog een keer en nog een keer

Dood staarde mij in mijn eigenste

 
 
 

In de wolken met Sharon Stone

Vannacht droomde ik van haar
Van die diva van het witte doek
Ondersteboven van haar look
Gaf ik me over, zag geen gevaar

Hoe het kwam, dat weet ik niet
Het vergde niet meer dan een blik
Ik was er erg mee in mijn schik
Toen haar jurk haar verliet

Geruisloos speelde het zich verder af
met horten en met stoten, eerst haar bovenstuk,
toen haar niemandalletje het begaf

versmolten in een bed van zoet geluk
meer en meer, dichter rond des dichter’s staf
bezweek die wereld onder grote druk.

 
 
 

Wolkewietje

De mensheid heeft haar draai gevonden
Het is een verschil van dag en nacht
Dat hadden ze in de prehistorie niet gedacht
Nooit waren we zo met elkaar verbonden

Geld en goederen, vliegen, vluchten, glitter in een wolk
blijmoedig, blind op naar de bodem van de kolk.

 
 
 

Zo zout

Met de voeten in de branding
dan tot aan mijn knieën en, oeh,
de golven slaan tegen mijn buik
Werp ik mij voorover, kopje onder
verlies de vaste grond onder mijn voeten
en even ben ik nergens meer.

 
 
 

En dan ruik je ook nog naar jezelf

De holte van je voet,
de ronding van je hiel
die doorloopt vloeiend naar je kuit
en verder omhoog zich verbredend
tot je heupen die zich welven
en de knik van je taille
die een voorbode zijn
van nog meer welvingen,
je hals strekt zich,
je kin, maar nog meer je mond
om van je ogen maar niet spreken
en je haar een waterval.
Ik sta sprakeloos,
dus beperk ik mij maar tot deze woorden.