Het raadsel houdt stand
Ik weet niet waar ik het zoeken moet
En dwaal van hier naar daar
Of vergeet het maar uit alle macht
De woorden die ik ervoor bedacht
zetten me op het verkeerde been
De wereld lacht zacht.
Het raadsel houdt stand
Ik weet niet waar ik het zoeken moet
En dwaal van hier naar daar
Of vergeet het maar uit alle macht
De woorden die ik ervoor bedacht
zetten me op het verkeerde been
De wereld lacht zacht.
Waar zijn de lippen die smaken naar vanille?
Het is alweer een tijd geleden
Waar zijn de ogen die schitteren als diamant?
Het is alweer zo lang geleden
Waar is de lach die klatert als een beek?
Mijn ogen zijn allang weer droog
Welke huid is zo zacht
dat ze mijn gedachten doet verbleken?
In de spiegel lijk ik toch
het meeste op mijzelf
als ik naar mijn ouders kijk
zie ik een beetje minder
maar ben ik toch
een beetje minder alleen.
Klokslag drie over elf
Weer een uur voorbij en verder
ben ik met mijn gedachten verder
weg dan ooit tevoren.
Deze woorden:
een piepklein zandkorreltje in een zee van tijd.
Nu de zomertijd is aangebroken
de liefde is ontloken
Cupido’s pijl de één vreugde brengt
de ander met pijn het hart doorstoken.
Houd ik me op de achtergrond en zie
het krieken van de dag, de volle maan
die komt en gaat, de eb en vloed
Houd ik mijn voeten droog.
Doodstil houd ik me
De tijd kruipt over mijn huid
Totdat niets anders rest dan de vraag:
waar ben ik gebleven?
Kom nu eens in mijn armen
en laat mijn hart je verwarmen
dat klopt genoeg voor twee
de rivier, zij sleurt ons mee
we overleven met geluk
keien en woeste baren
gaan we een stuk, stuk
gaan we ieder dan ons weegs
wanneer de dood ons scheidt
zonder diploma x wijd en zijd.
Doe mij maar mijn kat
die zich vlijdt in mijn nek
zo zeker als wat
Dat is toch niet gek.
Als de liefde plots ontsteekt
het vertrouwde niet tegen de hunkering opweegt
afgronden zich openen
al het andere bij dat laaiend vuur verbleekt
moet ik toch blijven geloven
dat we kunnen vliegen door de eindeloosheid.
Zo rond het midden van de nacht
het jaar 2010 mij toelacht
– ha, ha, wie ’t laatst de tanden bloot –
meer van ’t zelfde in de schoot
Of er zou een lot uit de loterij
Geld is niet waar ik aan lij
Hier is ’t winters, daar is ’t zomers
Stuk voor stuk dagloners
De eeuwigheid is niet te koop
De tijd neemt met ons haar loop.