Doe mij maar mijn kat
die zich vlijdt in mijn nek
zo zeker als wat
Dat is toch niet gek.
Doe mij maar mijn kat
die zich vlijdt in mijn nek
zo zeker als wat
Dat is toch niet gek.
Als de liefde plots ontsteekt
het vertrouwde niet tegen de hunkering opweegt
afgronden zich openen
al het andere bij dat laaiend vuur verbleekt
moet ik toch blijven geloven
dat we kunnen vliegen door de eindeloosheid.
Zo rond het midden van de nacht
het jaar 2010 mij toelacht
– ha, ha, wie ’t laatst de tanden bloot –
meer van ’t zelfde in de schoot
Of er zou een lot uit de loterij
Geld is niet waar ik aan lij
Hier is ’t winters, daar is ’t zomers
Stuk voor stuk dagloners
De eeuwigheid is niet te koop
De tijd neemt met ons haar loop.
In het licht van de zon
en wat dan al niet:
een Vergeetmenietje
godallemachtig groot
in de wereld van eigen makelij.
Vele dagen heb ik wel geteld
Het kan niet op
Men kiest de vlucht naar voren
aan de leiband van ’t grote geld
gokt men munt of kop
En dan is plots of iets minder snel
Voor iedereen het einde daar op de top
Eigenlijk niet van hun kunnen
Met een lieve duit gaat het sprookje uit
Wie trekt aan de bel?
Is het tijd voor een noodstop?
Mijn zomer ben ik zo’n beetje vergeten
Misschien weet jij de jouwe nog
Nu nog wel, maar toch
zal ook de jouwe wel tot slot
in de vergetelheid geraken
op wat sporen na zo hier en daar.
Geen idee schiet mij te binnen
wat te doen aan wie ook maar ademt,
die de dood vindt
of uit mijn zicht verdwijnt
Eindeloos gaat het ook niet door
Eindigheid zet er een punt achter.
Roept zij, de leegte, trekt ze
zoals de zwaarte het water
stromen laat van hoog naar laag?
Voor het zelfde geld stel ik
weinig voor en voeg ik me naadloos,
loos in deze wereld,
bordevol zaken gedoemd te verdampen
in het licht van de tijd.
Zo ik ze heb genoten,
gedachten en gevoelens zoals een wezen
met zogenaamd zelfbewustzijn heeft:
aanstonds zijn zij er niet meer
Hoop ik ijdel: de maan over ons waakt
en allicht de zon het oosten kust.
Doelloos staan de lantaarnpalen
overdag op onbewolkte dag. Ik wacht
tot het donker de overhand krijgt.
Tot dan blijf ik dralen
en zie ik in de verte
hoe zij en zij en hij en zij huilt en lacht.