Toverfee, heb je niet wat toverballen,
ten minste één of bij voorkeur twee,
dat ik de balle krijg
het leven niet zo zwaar te nemen?
Nu doe ik maar alsof
en zweef ik allengs verder weg.
Toverfee, heb je niet wat toverballen,
ten minste één of bij voorkeur twee,
dat ik de balle krijg
het leven niet zo zwaar te nemen?
Nu doe ik maar alsof
en zweef ik allengs verder weg.
Ongemerkt glijdt de tijd me voorbij
tot op zeker moment de klok
me in de ogen kijkt en met een schok
In gedachten verbleef ik aan jouw zij.
Hoe zal ik nog langer bij jou verpozen
te middernacht. Geen ander gekozen.
Het zij een lot uit de loterij.
Streel ik haar onverbloemde huid
Gepaard met fluisterzacht geluid
In een oogwenk haar oorschelpen rood
doorzichtig, zoek ik de warmte van haar schoot
Zijn we helemaal weg van elkaar
Komt de betovering tot een abrupt eind
Komt het leven weer vastomlijnd
Rest ons nog slechts één gebaar
De dag kruipt wederom in onze huid
Begint op bed met thee, beschuit.
Men wordt geboren
Men gaat dood
Is het allemaal lood
om oud ijzer, van de hoge toren
blaast men of vanaf begane grond
Van de tijd verliest men even goed terstond.
Familie zwaan zwemt mij voorbij
Peddelen met hun gevliesde tenen
door het zoete nat, gaan henen
vanwaar zij op het water zaten voor mij.
Laten mij achter aan de kant
Hier laat de kou zich zien in waterdamp
waar ik me aan de warmte vastklamp
In de verte kust de zon de rand.
Mijn handen blijven leeg
Met woorden tracht ik die te vullen
Een echo keert slechts naar mij terug
Warmte die in de zin ontbreekt,
Vinden ze slechts elkaar
en hun vingerwijzing onafgerond.
Nu zou ik je wel naast me willen
Maar God mag weten waar Je blijft
En ook van Zijn, Haar of Dat bestaan
ben ik Onzeker. Maar wat wel beklijft:
als ik ooit Je Hart voel,
wis en warempel wordt Het een mooie Boel.
Ben ik verdorie veertig jaar
Heb ik het nog steeds niet voor elkaar
Maar eerlijk gezegd, ik zou niet weten wat
Ik ben mijn eigen schat.
Talloos zijn de zonsondergangen
alleen al aan dat ene strand
Ben ik nu op het punt beland
dat ik verzand in eindeloos verlangen.
Laat mij meevoeren met de wind
over de rand van de horizon uit het zicht
verstrooid uiteindelijk in partikels licht
ben ik dan een golfkind.
Koppig houden de klavers vol
en de boterbloemen, in de nazomer
houd ik de zomer in mijn bol,
ook al maakt men mij uit voor dromer.
Kleurig paars en geel temidden van het tanend groen,
herinner ik mij de zon en warmte van voorbije dagen,
fiets ik onder grauwe lucht opgewekt en koen,
weet ik het winters grijs daarmee te schragen.