Om niets

Nog een rondje. Nog ééntje.
En nog een rondje om.
De winter kwam, daarvoor nog de herfst
De zomer laat zich raden. De lente ook

Weldra breekt die aan:
nog één rondje om
de zon, al beginnen de dagen
te tellen. Jong was je, ben je
als de zon opkomt en weer ondergaat
als de nachten en de dagen
je overkomen en je doet er niet aan
aan nog een rondje om
als alles al rond is.

Dood tij, nimmer dood tij

Als de wolken vliegen
Als de rivier stroomt
Als de zee beukt op de kust
Als je leeft, leef je  

zoals de wolk vliegt
de rivier vliedt en vloed
en eb komen en gaan
en de korrel zand gaat
op de wind gedragen
door water gesleurd.

Leuk is anders

Leuk is anders
en geluk, dat is maar hoe je het opvat:
als dat ene moment
– verwaarloosbaar haast, zo kort, zij het intens –
dat het klaar is
(om niet te zeggen gekomen)
of als wat basaal ten grondslag ligt
aan al je doen en laten
al lukt het soms niet
Met dat korte is het snel afrekenen
Dat andere: een samenvatting
van wat wezenlijk is
en je schraagt.

 

Voorbij altoos [Amsterdams peil]

Altijd leefde ik zomaar ergens
Ik wou dat ik kon leven in mijzelf
De lucht is blauw. De lucht is zwart
Soms istie grijs en de zon kan branden
Het zand aan de zee is onderhevig
aan de wind, aan de zee
Mijn opa was een baken
te lang geleden
in Amsterdam.

 

 

Overvloedig

Langs de eblijn
zover als mogelijk van het land
durf ik amper een voet te zetten
Alleen uitgekiend
treed ik het vergankelijke tegemoet
– of ik moet er niet bij stil staan –
en verder kom ik niet dan de vloed reikt.

 

Eenvoud

Je bent het niet gewoon, hè
zo in levende lijve
en dan gewoon maar wat
praten en aftasten en de wereld laten
voor wat het is, alleen maar
met z’n tweeën?

Er was misschien eens
een tijd en een jongen
– van ouder durf ik niet eens te spreken –
die nog zonder hoofd
het moment kon pakken
met een woord
en zelfs nog een kus of wat

Gelukkig tellen de jaren
niet in alle opzichten.

Uitgestegen

Niet zondermeer loop ik over water
Niet zondermeer ga ik te voet
Geef me de tijd die me niet gegeven is
en alsof het niets is verzet ik bergen
Laat me mijzelf achterwege laten
en ik sta voor niets
Kon ik met woorden een brug bouwen
dan was ik via de maan en de zon
al in de zevende hemel gekomen
en boven mijzelf.

Leef!

Want er is geen tijd
geen tijd om stil te staan
geen tijd om voort te gaan
geen tijd voor nu

De tijd, die is er wel
ongrijpbaar, medegenloos, onzichtbaar
dus maken we tijd
en creëren we momenten
en de mooiste zijn dan weer
als we die tijd
die ongrijpbare, medogenloze, onzichtbare
dan vergeten
er daar dan niet bij stil staan.

Afgrond

Weg ga ik
van al te veel
al vrees ik ook wel
alleen over te blijven
met de pijn van het leven
Ik zoek m’n weg
langs de randen van contact
Ik loop langs de weg van spijt.

 
 
 

Wel, wel

Nee, nee, ik pieker niet
Alleen, als het donker is
geworden, dan kan mijn hoofd
het niet laten om willekeurig wat
me te binnen te schieten
alles wat bij daglicht dan links
blijft liggen, uiteenlopend
van krokodillen en katten en pyramiden
van de supervisor die vertrekt
en wat ik daar wel niet van vindt
van mijn pa waar ik dan twee van heb
– nurture vs nature –
van banktegoeden en de moed
– onafgemaakte associaties –
van pipo en zijn geschminkte lach
en of dát dan gelukkig maakt
van geloof en onzin en houvast
van regelmaat en reinheid: hoe
– hoe, hoe dan, in vredesnaam –
van de regenboog en de loterij
het geluk en hoe je dat
van lot naar her
en dergelijke
of zo
.