Weeskind

In de hof van Eden staat een kind
Het er geen mens meer vindt
De resten liggen neer in stof
Dwaalt door ’t industriĆ«le kerkhof

Waar geen kerk te vinden valt
god noch gebod roept halt
kabbelt de tijd rustig door
ook al vindt die nergens gehoor.

In de hof van Eden staat een kind
Het verdwijnt gezwind.

 
 
 

Vlieg naar de maan

Vlieg naar de maan, zacht
verdwijnt de dag uit het zicht
geef mij zomaar over aan de nacht
aan wat er in mijn dromen voor mij ligt

te wachten, waar gedachten tot niets vergaan
Wellicht moet ik er vannacht wel aan
geloven, maar dat geloof ik nu nog niet
Zo ja, men dat alleen in deze wereld ziet.

Vooralsnog ga ik er maar stil van uit
U, lezer, ik, schrijver, zitten in dezelfde schuit.

 
 
 

Over rozen

Als ik geld had kocht ik rozen bij de vleet
dan strooide ik die voor mij uit op straat
dan het er helemaal niet meer toe deed
dat het leven niet over rozen gaat.

 
 
 

We zijn er bijna / nog lange niet

Nee, dit is geen vrolijk deuntje
en maar goed ook dat dit niet vrolijk is:

De dood komt met zachte handen
of hard en rauw, onverwacht, nooit gedacht
of langzaamaan verstikkend met pijnen
die langzaam wennen
of niet

Duister is zij, maar niet als de nacht
De nacht kent nog een horizon
waarachter de zon tevoorschijn komt
kent nog de sterren
ook al gaan ze soms schuil

Ze is de slaap waarvan men weet
nooit uit te ontwaken
Ze is een slaap die droomloos is
zonder einde, ook niet eindeloos

Onvergelijkbaar met nacht of dag
de avond of de morgenstond
stelt men zich er van alles van voor

Maar of het tegenvalt of niet,
wellicht is dat niet eens afwachten geblazen.

 
 
 

Wolkewietje

De mensheid heeft haar draai gevonden
Het is een verschil van dag en nacht
Dat hadden ze in de prehistorie niet gedacht
Nooit waren we zo met elkaar verbonden

Geld en goederen, vliegen, vluchten, glitter in een wolk
blijmoedig, blind op naar de bodem van de kolk.

 
 
 

In memoriam

Ik kende hem vluchtig
en nog vluchtiger als haar
Etiketten als man en vrouw
blijven beperkt en ook wat raar

Hoeveel meer zijn wij ieder niet
Hoeveel gelijk we ook allen zijn
toch anders
met de genen die we kregen
met de geschiedenis achter onze kiezen

Die voor deze mens uitmondde in plotse dood
Men noemt het zelfmoord
Een keten van gebeurtenissen
die ons idee van zelf, van vrijheid stoort.

Toeval of juist helemaal niet
het komt op hetzelfde neer:
dat ieder van ons
niet minder is, noch meer.

 
 
 

En ondertussen

Het raadsel houdt stand
Ik weet niet waar ik het zoeken moet
En dwaal van hier naar daar
Of vergeet het maar uit alle macht
De woorden die ik ervoor bedacht
zetten me op het verkeerde been
De wereld lacht zacht.

 
 
 

Herkenning

In de spiegel lijk ik toch
het meeste op mijzelf
als ik naar mijn ouders kijk
zie ik een beetje minder

maar ben ik toch
een beetje minder alleen.