Zo diep kan je niet zinken
of er wordt licht gemaakt
in het donker van de zee
van al dat leven van heel
heel lang geleden
en van de zon die eertijds scheen
en ook de aarde diep, diep
diep onder water
tot uitbarsting komt.
Zo diep kan je niet zinken
of er wordt licht gemaakt
in het donker van de zee
van al dat leven van heel
heel lang geleden
en van de zon die eertijds scheen
en ook de aarde diep, diep
diep onder water
tot uitbarsting komt.
Er was Nelis, er was Felix
Dolci vergezelt me nog
Dat hartzeer bij ’t verscheiden
Toch laat ik maar niet los.
Kinderen, kinderen, ouders
praat me er niet van
de schrik me om het hart slaat
kinderen te overleven.
Voetstappen in het wit, ik kijk
op en om mij heen en overweldigd
sla ik het gade, hoe het landschap
ook zonder jou zich openbaart
in stilte, geluiden zonder wanklank
zeg ik dank ook deze dag
van kou en de warmte, ik mag
die koesteren van binnen.
Een masker hier, een masker daar
zo komt ’t in ’t leven wel voor elkaar
Soms krijg je een glimp mee door de gaten
voor mond of ogen, of je ruikt een geur
hoor je met de oren die zijn vrij gelaten
van wat er schuilgaat achter een open deur
Aan huid en haar heeft het nooit ontbroken.
Over de baren zit ik te staren
in een roeiboot te midden van een hele vloot
zielen, stuk voor stuk, zoekend altoos naar geluk.
In de hof van Eden staat een kind
Het er geen mens meer vindt
De resten liggen neer in stof
Dwaalt door ’t industriĆ«le kerkhof
Waar geen kerk te vinden valt
god noch gebod roept halt
kabbelt de tijd rustig door
ook al vindt die nergens gehoor.
In de hof van Eden staat een kind
Het verdwijnt gezwind.
Vlieg naar de maan, zacht
verdwijnt de dag uit het zicht
geef mij zomaar over aan de nacht
aan wat er in mijn dromen voor mij ligt
te wachten, waar gedachten tot niets vergaan
Wellicht moet ik er vannacht wel aan
geloven, maar dat geloof ik nu nog niet
Zo ja, men dat alleen in deze wereld ziet.
Vooralsnog ga ik er maar stil van uit
U, lezer, ik, schrijver, zitten in dezelfde schuit.
Nee, dit is geen vrolijk deuntje
en maar goed ook dat dit niet vrolijk is:
De dood komt met zachte handen
of hard en rauw, onverwacht, nooit gedacht
of langzaamaan verstikkend met pijnen
die langzaam wennen
of niet
Duister is zij, maar niet als de nacht
De nacht kent nog een horizon
waarachter de zon tevoorschijn komt
kent nog de sterren
ook al gaan ze soms schuil
Ze is de slaap waarvan men weet
nooit uit te ontwaken
Ze is een slaap die droomloos is
zonder einde, ook niet eindeloos
Onvergelijkbaar met nacht of dag
de avond of de morgenstond
stelt men zich er van alles van voor
Maar of het tegenvalt of niet,
wellicht is dat niet eens afwachten geblazen.
De mensheid heeft haar draai gevonden
Het is een verschil van dag en nacht
Dat hadden ze in de prehistorie niet gedacht
Nooit waren we zo met elkaar verbonden
Geld en goederen, vliegen, vluchten, glitter in een wolk
blijmoedig, blind op naar de bodem van de kolk.