Klokslag drie over elf
Weer een uur voorbij en verder
ben ik met mijn gedachten verder
weg dan ooit tevoren.
Deze woorden:
een piepklein zandkorreltje in een zee van tijd.
Klokslag drie over elf
Weer een uur voorbij en verder
ben ik met mijn gedachten verder
weg dan ooit tevoren.
Deze woorden:
een piepklein zandkorreltje in een zee van tijd.
Doodstil houd ik me
De tijd kruipt over mijn huid
Totdat niets anders rest dan de vraag:
waar ben ik gebleven?
Foeilelijk lot is hen beschoren
die in den arme vreemde zijn geboren
Denken zij niet na over de zin
Wanhoop, onbereikbaar begin.
Kom nu eens in mijn armen
en laat mijn hart je verwarmen
dat klopt genoeg voor twee
de rivier, zij sleurt ons mee
we overleven met geluk
keien en woeste baren
gaan we een stuk, stuk
gaan we ieder dan ons weegs
wanneer de dood ons scheidt
zonder diploma x wijd en zijd.
Als de liefde plots ontsteekt
het vertrouwde niet tegen de hunkering opweegt
afgronden zich openen
al het andere bij dat laaiend vuur verbleekt
moet ik toch blijven geloven
dat we kunnen vliegen door de eindeloosheid.
Zo rond het midden van de nacht
het jaar 2010 mij toelacht
– ha, ha, wie ’t laatst de tanden bloot –
meer van ’t zelfde in de schoot
Of er zou een lot uit de loterij
Geld is niet waar ik aan lij
Hier is ’t winters, daar is ’t zomers
Stuk voor stuk dagloners
De eeuwigheid is niet te koop
De tijd neemt met ons haar loop.
In het licht van de zon
en wat dan al niet:
een Vergeetmenietje
godallemachtig groot
in de wereld van eigen makelij.
Vele dagen heb ik wel geteld
Het kan niet op
Men kiest de vlucht naar voren
aan de leiband van ’t grote geld
gokt men munt of kop
En dan is plots of iets minder snel
Voor iedereen het einde daar op de top
Eigenlijk niet van hun kunnen
Met een lieve duit gaat het sprookje uit
Wie trekt aan de bel?
Is het tijd voor een noodstop?
Mijn zomer ben ik zo’n beetje vergeten
Misschien weet jij de jouwe nog
Nu nog wel, maar toch
zal ook de jouwe wel tot slot
in de vergetelheid geraken
op wat sporen na zo hier en daar.
Geen idee schiet mij te binnen
wat te doen aan wie ook maar ademt,
die de dood vindt
of uit mijn zicht verdwijnt
Eindeloos gaat het ook niet door
Eindigheid zet er een punt achter.