Klavertjes vieren

Koppig houden de klavers vol
en de boterbloemen, in de nazomer
houd ik de zomer in mijn bol,
ook al maakt men mij uit voor dromer.

Kleurig paars en geel temidden van het tanend groen,
herinner ik mij de zon en warmte van voorbije dagen,
fiets ik onder grauwe lucht opgewekt en koen,
weet ik het winters grijs daarmee te schragen.

 
 
 

Nu dan

De lucht roert zich met meer dan één wolk
De zon schijnt er fel tegen in
Het licht treft mijn hart hard als een dolk
en ondanks de dreiging krijg ik toch goede zin

zolang de bliksem mij niet weet te raken
en ik niet door kou wordt bevangen
zie ik het land fris en groen ontwaken
en mij rest niets meer te verlangen.

 
 
 

Schemer

Langzaamaan vervagen de kleuren
bij ondergaande zon worden ze meer en meer
alleen contouren, sterven ook de geluiden
zo langzamerhand en maak ik meer en meer
deel uit van het land vol verborgen leven.

 
 
 

Wel zo bekeken

Na dit leven verblindend licht
een aanvang nam, komt fijn
na regen steeds zonneschijn
voordat het tot slot dan zwicht

geleidelijk aan of plots overmand,
houdt het daar op voor ’t verstand.

 
 
 

Klein drama, volop leven

Al het leven lijkt geweken
uit een platgeslagen pad
die eens fier rechtop zat
voordat ie waagde over te steken

Toch weet ik de opruimploegen aan het werk,
onzichtbaar nog voor mijn oog:
de straatveger die vanochtend aan het werk toog,
meer nog de tallozen op het microscopisch zwerk,
die worden van de afbraak sterk.

 
 
 

Tok

Ergens vrees ik toch dat ik bang ben
voor dat zwarte gat, dat toekomst heet
ondanks al diegenen bij de vleet
die voorgingen in de ren,

het kippenhok, waar we bewegen
als kippen zonder kop
werkelijk waar
ook al hebben we het voor elkaar
denken we te weten
zolang we meer dan voldoende kippen
dezelfde zaden zagen pikken
in hetzelfde schuitje gezeten

die hun eieren legden
en ten slotte het loodje.

 
 
 

Tocht

Geruisloos trap ik op mijn gemak
Aan de zomerhitte heb ik lak
De broeierige warmte laat het land
zuchten, geluidloos
zweet ik een heel eind weg
lijkt dat moment van vrede altoos
Zweef ik stil op banden gedragen
in een stilleven.

 
 
 

Dwaallicht

Luister ik naar muziek van jaren her, van eeuwen
Zie ik de beelden via tv, het net tot mij schreeuwen
Komt de hele wereld bij ons op bezoek
in het theater, film of immigranten om de hoek
reizen we toch in persoon de wereld af
op zoek naar geluk ergens steeds verder af.

 
 
 

Zolang ik het leven om mij heen weet

Geef mij maar bij tijd en wijle
de rust om in stilte te luisteren
Geef mij maar zo af en toe
de stilte van de ondergaande zon,
van het water, stilstaand riet

Hoor ik mijn ademtocht
het kloppen van mijn hart
en het kortstondig kwaken
van een eend, gekras van een kraai,
van een vis die kringen maakt
als die even het watervlak raakt

of van ergens in de verte
door een open raam een kind
dat nog even tegensputtert
voordat ‘ie zich gewonnen geeft
voor die dag, de nacht betreedt

Geef mij maar dat moment van stilte.