Zie ik mijzelf met huid en haar
en de aderen zichtbaar
Het leven: zo kwetsbaar
Vergt het enige blijmoedigheid blijkbaar
levensvragen onbeantwoord te laten
zonder misbaar.
Zie ik mijzelf met huid en haar
en de aderen zichtbaar
Het leven: zo kwetsbaar
Vergt het enige blijmoedigheid blijkbaar
levensvragen onbeantwoord te laten
zonder misbaar.
Ergens vrees ik toch dat ik bang ben
voor dat zwarte gat, dat toekomst heet
ondanks al diegenen bij de vleet
die voorgingen in de ren,
het kippenhok, waar we bewegen
als kippen zonder kop
werkelijk waar
ook al hebben we het voor elkaar
denken we te weten
zolang we meer dan voldoende kippen
dezelfde zaden zagen pikken
in hetzelfde schuitje gezeten
die hun eieren legden
en ten slotte het loodje.
Geruisloos trap ik op mijn gemak
Aan de zomerhitte heb ik lak
De broeierige warmte laat het land
zuchten, geluidloos
zweet ik een heel eind weg
lijkt dat moment van vrede altoos
Zweef ik stil op banden gedragen
in een stilleven.
Luister ik naar muziek van jaren her, van eeuwen
Zie ik de beelden via tv, het net tot mij schreeuwen
Komt de hele wereld bij ons op bezoek
in het theater, film of immigranten om de hoek
reizen we toch in persoon de wereld af
op zoek naar geluk ergens steeds verder af.
Geef mij maar bij tijd en wijle
de rust om in stilte te luisteren
Geef mij maar zo af en toe
de stilte van de ondergaande zon,
van het water, stilstaand riet
Hoor ik mijn ademtocht
het kloppen van mijn hart
en het kortstondig kwaken
van een eend, gekras van een kraai,
van een vis die kringen maakt
als die even het watervlak raakt
of van ergens in de verte
door een open raam een kind
dat nog even tegensputtert
voordat ‘ie zich gewonnen geeft
voor die dag, de nacht betreedt
Geef mij maar dat moment van stilte.
Kom mij niet aan met verhalen
dat de mensheid loopt te dwalen
Dat veronderstelt bijvoorbeeld enig weten
van wat men dan zou zijn vergeten:
één doolhof met één middelpunt
Is je echt een blik van bovenaf vergund?
Op reis, op reis, wijs
om de zinnen te verzetten
Kost het bergen energie
Maakt het korte metten
met de vakantierust. Ik zie
ze terugkomen met verhalen
en meestal met een lekkere kleur
rijgt men vakantieërvaringen als kralen
aan de levensdraad te kust, te keur
Gaat men voorwaarts zonder dralen.
Werkt men zich de blubber
en stelt men zich flexibel op als rubber
dan gaat de rek er toch wel uit
en valt het niet te verwonderen:
men krijgt de drang zich af te zonderen,
of men gaat los en flierefluit.
Het is in mijn hoofd een drukte van belang
Al die stofjes, synapsen, prikkels gaan hun gang
Houden mij vast als mijn eigenste schat
’s nachts echter val ik steeds weer in een gat
Als ik door slaap wordt geveld
en alles wat volgens mij toch niet meer telt
terugkeert en dan aan de orde wordt gesteld
wat in soms bizarre vorm wordt verteld.
Toevallig is het dan wel niet
Soms ligt er betekenis in het verschiet
als je de droom onder ogen ziet
bij het ontwaken, of wanneer het later
begint te dagen.
Maar al die kronkels, ze zijn als het weer
Voor elke zucht wind is een verklaring
Elke bui, wat er aan vooraf ging
Wolken, druppels, damp, steeds meer en meer
Kunnen we het begin van het weer
nooit vinden, nooit en nimmer meer
valt er meer te zeggen dan voor een paar dagen
hoe het weer zich waarschijnlijk zal gedragen.
Een enkele grijze haar bij mijn slapen
Heel wat hoofdhaar moest ik al uit de afvoer rapen
Fijne lijntjes in de huid van mijn handen,
Geen kunstgebit, jippiejajee, nog voor mijn tanden
Wel weer een knie die tegensputtert bij wandeling bergop
Het zweet dat mij uitbreekt bij geringe inspanning
Het is de vergankelijkheid ten top.
Waar hij ook gaat, hij staat
steeds in het midden van de ruit
van oost en west, van noord en zuid
zolang hij het bespiegelen maar laat:
Het is elf minuten over elf
Wat verlang ik naar mezelf
of anders naar de toverfee
die al mijn leed, het zat niet mee,
met haar toverstokje wegdee.
Oeps, wat zwaar is die last
Maar dan ben ik blij verrast
Als ik weer kijk naar voren
gaat het gewicht verloren
Fluit ik een andere melodie
Ik zie wel wat ik in de toekomst zie.