Kom mij niet aan met verhalen
dat de mensheid loopt te dwalen
Dat veronderstelt bijvoorbeeld enig weten
van wat men dan zou zijn vergeten:
één doolhof met één middelpunt
Is je echt een blik van bovenaf vergund?
Kom mij niet aan met verhalen
dat de mensheid loopt te dwalen
Dat veronderstelt bijvoorbeeld enig weten
van wat men dan zou zijn vergeten:
één doolhof met één middelpunt
Is je echt een blik van bovenaf vergund?
Op reis, op reis, wijs
om de zinnen te verzetten
Kost het bergen energie
Maakt het korte metten
met de vakantierust. Ik zie
ze terugkomen met verhalen
en meestal met een lekkere kleur
rijgt men vakantieërvaringen als kralen
aan de levensdraad te kust, te keur
Gaat men voorwaarts zonder dralen.
Werkt men zich de blubber
en stelt men zich flexibel op als rubber
dan gaat de rek er toch wel uit
en valt het niet te verwonderen:
men krijgt de drang zich af te zonderen,
of men gaat los en flierefluit.
Het is in mijn hoofd een drukte van belang
Al die stofjes, synapsen, prikkels gaan hun gang
Houden mij vast als mijn eigenste schat
’s nachts echter val ik steeds weer in een gat
Als ik door slaap wordt geveld
en alles wat volgens mij toch niet meer telt
terugkeert en dan aan de orde wordt gesteld
wat in soms bizarre vorm wordt verteld.
Toevallig is het dan wel niet
Soms ligt er betekenis in het verschiet
als je de droom onder ogen ziet
bij het ontwaken, of wanneer het later
begint te dagen.
Maar al die kronkels, ze zijn als het weer
Voor elke zucht wind is een verklaring
Elke bui, wat er aan vooraf ging
Wolken, druppels, damp, steeds meer en meer
Kunnen we het begin van het weer
nooit vinden, nooit en nimmer meer
valt er meer te zeggen dan voor een paar dagen
hoe het weer zich waarschijnlijk zal gedragen.
Een enkele grijze haar bij mijn slapen
Heel wat hoofdhaar moest ik al uit de afvoer rapen
Fijne lijntjes in de huid van mijn handen,
Geen kunstgebit, jippiejajee, nog voor mijn tanden
Wel weer een knie die tegensputtert bij wandeling bergop
Het zweet dat mij uitbreekt bij geringe inspanning
Het is de vergankelijkheid ten top.
Waar hij ook gaat, hij staat
steeds in het midden van de ruit
van oost en west, van noord en zuid
zolang hij het bespiegelen maar laat:
Het is elf minuten over elf
Wat verlang ik naar mezelf
of anders naar de toverfee
die al mijn leed, het zat niet mee,
met haar toverstokje wegdee.
Oeps, wat zwaar is die last
Maar dan ben ik blij verrast
Als ik weer kijk naar voren
gaat het gewicht verloren
Fluit ik een andere melodie
Ik zie wel wat ik in de toekomst zie.
Nee, ik geloof niet
in een god of in vergiet
waar de zonde wordt gefilterd
waar ze achterblijft als droesem
te groot om door de gaten
te spoelen, vruchten van de bloesem
ten behoeve van god
mag weten wat voor baten.
Huppel ik van licht naar donker,
van verende tred
tot zwaarmoedig sjokken
Daar hoef ik niet voor te jokken
Straks is het uit met de pret.
Ga ik echter van donker naar licht
dan is het weer een heel ander gezicht
En als je je dan ook nog realiseert
Wat is wat? Dat hangt er van af
in wat voor positie je verkeert.
Het hart stuwt het bloed een heel leven lang
van top tot teen door het hele lijf,
houdt het ’t lichaam in bedrijf
zonder schroevendraaier of een tang.
Of drastisch ingrijpen is dringend nodig
ter reparatie van het aangerichte leed
Dan komen de lui in groen en wit gekleed
Steeds meer pijn en ongemak is overbodig.
Gaan ze met binnen- en buitenkant aan de slag
Blijft de natuur het bevoegd gezag.
Een borst, een bil
een buik met navel, ogen stil
een dijbeen, enkel en voet gestrekt
een half open mond waar de adem
zacht de lippen streelt
Te mooi, te wonderschoon
die samenvallende delen in één beeld,
een veelomvattend eerbetoon.
(oorspronkelijke versie 5 juni ’08)
Een kruiwagen vol geluk
en daar moet ik het mee doen
Voor een rijbewijs had ik nooit de poen
Til ik zelf, rijd ik zelf, mijn dag kan niet stuk.
Wat zal ik vandaag ten grave dragen?
Verliefd op deze woorden
die me met hun gedragenheid bekoorden
had ik niets om te klagen.
Een auto die me sneed
op de fiets: een ongeluk dat ik vermeed
Een klant die zijn frustratie botvierde:
goedgemutst hoorde ik hoe die tierde.
Zou ik mijn geluk in de weg laten zitten
door op mijn beurt te gaan vitten
op al wat me van buiten tegenzit?
Liever rijd ik mijn eigen geluksrit.