Weten is maar

Als je geen woorden meer kunt horen
ze in je oren klinken als geluid zonder meer
Als je geen zinnen meer kunt lezen
ze in het oog springen als tekens zonder meer
Als je geen aanraking meer verdraagt
Als de geur van regen je ontgaat
Als de beet van een appel
je mond slechts vult met stof

Hoe kun je dan nog liefhebben?
Hoe weet je je dan nog geliefd?
Waar vind je de moed te wachten
totdat, of of, het tij weer keert?

 
 
 

Sleutel tot slaap

Rondom een uur of zes
gleed het mes der zotheid van de dag
mijn bewustzijn binnen. Er was geen beginnen
aan mijn ogen er voor te sluiten
dat de dag al was begonnen

een pauze
leek wel
op  z’n plaats:
water
voor een droge mond
wateren
op de droge grond

Trok mij terug
Het mes terug
Onderbrak
de onderbreking van de staat
die met dromen gaat gepaard
vond de sleutel weer tot rust.

 
 
 

Zon op, zon onder

Het zand onder mijn voeten
Het water van de zee
Straks doe ik toch van lieverlee
wat ik liever met jou dee’

Een tafel aan een terras
een wijn, een bier in een glas
in de zon er dan geen ander was
die mij streelde bij mijn voeten.

 
 
 

Egel en passant

Er was een egel
die over de straat wilde
in een nieuwbouwwijk naar
god weet waar

Hij viel mij op
aan de kant van de weg
en een grote meeuw
aan zijn ingewanden plukte.

Gaaf leek hij nog in de gauwigheid van het voorbijgaan
Een rode draad slechts uit hem sleepte.

 
 
 

Tekenend

Verdomde woorden, zinnen
Ik schrijf ze wel bij zinnen
maar alleen ogenschijnlijk
vermogen ze de afstand te verkleinen
hoezeer hun betekenis ook beklijft

We zijn niet alleen
Het is een bezwering, die geloof vereist.

 
 
 

Levend en wel

Mijn vlees. Mijn huid is bleek
het is het mijne, het bloed
voedt het zolang mijn hart
klopt, voedt mijn gedachten
zolang mijn voeten
de aarde mogen raken.

 
 
 

Groots nietig

Soms is de wind zo hevig en gaan de zeeën
zo hoog, dat zelfs de zeemeerminnen
zich verschuilen in de diepte
Sprookjes schieten te kort
ook als de liefde blijft
één ademtocht
weg van jou
een kus
nu
.

 
 
 

Bij de hand

Mijn vingers grepen in elkaar
achter mijn rug had ik mijzelf in de hand
rechtop en dan weer met het hoofd
gebogen stapte ik onder de zon door
onder de wolken door onder de takken
van de bomen die naar de hemel
reiken en van geen wijken weten

Mijn vingers in jouw vingers haakten
zo mijmerde ik weg al onderweg
jouw voeten mijn weg niet raakten
ik bij je ben nu ik dit zeg.

 
 
 

Ongewis

Hoeveel was er is?
De bijen weten het niet
De schikgodinnen willen niet zeggen
of het genoeg is
de lont brandende te houden

Stuifmeel is er zat en weet je wat?
Ik laat me maar gaan op de wind.

 
 
 

Als een vis in ’t water

Of vissen slapen weet ik niet
ze zullen vast nooit snurken
Ik zie ze wel ’s op hun zij
maar dan zit er toch te weinig leven in
om voor slaap te kunnen doorgaan

Ik weet niet veel
misschien wel minder dan jij
maar vissen weten dan toch
beter hoe ze moeten zwemmen.

Ze gaan zo voorbij diploma ‘zee’