In der minne schikken:
Is dat niet om je bij af te likken?
Maar toch niet wanneer het een beer
van een mannetjesputter betreft
Of trek je graag zo van leer?
Dat de kleine zich keer op keer
kranig prompt en pront verheft?

Foto's en andere waar
In der minne schikken:
Is dat niet om je bij af te likken?
Maar toch niet wanneer het een beer
van een mannetjesputter betreft
Of trek je graag zo van leer?
Dat de kleine zich keer op keer
kranig prompt en pront verheft?
Geruisloos trap ik op mijn gemak
Aan de zomerhitte heb ik lak
De broeierige warmte laat het land
zuchten, geluidloos
zweet ik een heel eind weg
lijkt dat moment van vrede altoos
Zweef ik stil op banden gedragen
in een stilleven.
Luister ik naar muziek van jaren her, van eeuwen
Zie ik de beelden via tv, het net tot mij schreeuwen
Komt de hele wereld bij ons op bezoek
in het theater, film of immigranten om de hoek
reizen we toch in persoon de wereld af
op zoek naar geluk ergens steeds verder af.
Ik drink je woorden in
Kan ik er niet in geloven
Zij het een voorzichtig begin.
Zie ik je niet in persoon
Je woorden, ik proef ze en de toon:
verdraaid, voor even weer ondersteboven.
Verlegen staat hij in zijn hemd
Kreeg ie zonet een compliment
Kiezen tussen wegwimpelen
of een opmerking, zo gevat
dat die de mondhoeken laat rimpelen
tot een lach. Want ach: complimenten zat
Maar nooit genoeg voor dat bodemloze gat.
Kleurde de rode klaver het veld paars
was het aan de overkant dat niets gebeurde
Ook al ging ik hier nog zo zacht
voorbij de bosrand en het water
ging de haas in dekking voor gedachte jacht
om ongezien terug te keren later.
Op hoge poten komen zij aan
om de boel op stelten te zetten
En daar moet je eens op letten:
Niet om door een ringetje te halen
gaan ze elkaar buiten de ring te lijf.
En ook dit staat buiten kijf:
Niet per se is het de armoede die ’t ‘m doet
Getuigt het van armoede even goed.
Geef mij maar bij tijd en wijle
de rust om in stilte te luisteren
Geef mij maar zo af en toe
de stilte van de ondergaande zon,
van het water, stilstaand riet
Hoor ik mijn ademtocht
het kloppen van mijn hart
en het kortstondig kwaken
van een eend, gekras van een kraai,
van een vis die kringen maakt
als die even het watervlak raakt
of van ergens in de verte
door een open raam een kind
dat nog even tegensputtert
voordat ‘ie zich gewonnen geeft
voor die dag, de nacht betreedt
Geef mij maar dat moment van stilte.
Kom mij niet aan met verhalen
dat de mensheid loopt te dwalen
Dat veronderstelt bijvoorbeeld enig weten
van wat men dan zou zijn vergeten:
één doolhof met één middelpunt
Is je echt een blik van bovenaf vergund?
Als toegang tot de grootste schat
prijs ik toch het allermeest de kurk
Ben ik het nog lang niet zat:
de fles waaraan ik lurk.
Langzaam krachtig draaiend
is het kurkentrekken een ritueel,
maakt het mijn zinnen laaiend
Bijna wordt het mij te veel.
Echter blijf ik zeer wel bij de les,
ga ik zo niet op de fles.