Een jonge kraai op een lichtmast
vliegt met steunend gekras
met wapperende vleugels alras
steeds weer terug, naar zijn moed tast
voor nog een waagstuk
en vliegt zich nog een ongeluk.

Foto's en andere waar
Een jonge kraai op een lichtmast
vliegt met steunend gekras
met wapperende vleugels alras
steeds weer terug, naar zijn moed tast
voor nog een waagstuk
en vliegt zich nog een ongeluk.
Van verbazing sta je daar met open mond
Ze vliegen steeds maar boven water, grond
met wijd open gesperde bekkies
eten ze hun feestmaal insekten, zo onkies
wat mij betreft, maar zonder zich te verslikken
zitten ze er in volle vaart van te bikken
Van diëten en al vergelijkbaar leed geen weet,
zijn brooddagen, sapkuren en fitness aan hun niet besteed.
Denken. Onder controle
Praten, verwoorden. Onder controle
Schrijven, met emoticons. Alles onder controle
Toch mis ik je geluid
Toch mis ik je gelaat
als ik met je praat
in bytes en bits in de chat,
zo snel, zo gehaast,
hoor noch zie ik het eigene
wat oncontroleerbaar vaststaat
nooit gekozen of gewild, wellicht aanvaard.
Emoticon en chat samen in bed
met overregulering en alles kan
het liefst in ’t hoogste verzet
tegen de klippen op of de klippen in de ban.

Vlees noch vis is chatten
waarbij je alleen kunt letten
op de woorden die over het scherm dansen
zonder uitdrukking, gebaar of toon
die hun betekenis in het hart kunnen stansen
aangewezen het volle verstand in te zetten
de ander te bereiken ofschoon
de afstand alleen wordt overbrugd
door bits en bytes in plaats van lucht
Het wit dat je tussen de woorden laat
het gemis aan uitdrukking, gebaar of toon
het steekt praten of schrijven naar de kroon
wendingen onverwacht, verrassend in staat
om te spelen met gedachten nieuw en klaar
met woorden als goud op een goudbaar
niet ontbloot van gevaar.
Dochter die zich verzekerd weet
van mannen bij de vleet
Dochter die een moeder wordt
wederom een wonder van leven
dat in haar buik ontstaat.
Zoon die ’t leven van een man leidt,
steeds op zoek naar volmaaktheid.
Sta ik met mijn mond vol tanden
Het is de vraag of ik lach of me schaar
in het kamp der verlegenen aan de randen
om woorden verlegen, zonder misbaar
Of in het centrum van de aandacht
een geziene gast, met ongemak weliswaar
houd ik moed en blijmoedig een voordracht
En het feest gaat door, zo raar maar waar
En zelfs al had ik een kunstgebit
dan nog zeg ik tegen mezelf “Die zit!”
Een sirene, een zieke ligt in de ambulance gebroken
Muziek die getuigt van levenslust
Een beeld dat mijn zin voor harmonie kust
Oprechte woorden van hart tot hart gesproken
Een gebaar dat getuigt van liefde en respect
Moed om op te komen voor een kind
of wie ook maar zwak staat in de wind
in een wereld waar ’t recht van sterkste goed bekt
Dan komt het voor dat ik volgeschoten raak
uit herkenning van de zaak,
gevoel onder de oppervlakte, ligt nog braak,
waterlanders uit mijn kijkers stromen,
mijn vrouwelijke kant laat mij niet schromen.
Een stenen hart huilt niet
en zingt geen levenslied.
Brommers voeren ze aan op lange poten
meiden en jongens, al flink opgeschoten
Weer bij elkaar met een heel stel
Ik hoor belletje trek en “Ik ben er wel. Ik ben er wel”
als hun soundmachine de ruimte vult met bassen
Hun doel bereikt: het liefste zien we hen verkassen
dat ze zelf wegrijden, niet meer bang
gezien te worden als brommers met hun aanhang.
Middelmatig grijs aangezicht
Wereld gehuld in mist
Te veel wit te fel van overal
Wereld één grote vuurbal
Godsonmogelijk daar te leven
Schaduw vormt het evenwicht
Wereld als een spel gegeven
Op de grens van donker, licht.
Dit zijn niet zozeer mijn woorden.
Eerder zijn de woorden mij,
tekenen mij,
sporen van mijn geest, mijn denken
kriskras als de pootafdrukken van een beest
hongerig naar voedsel op een karig veld.