Waterkering

Tot aan mijn middel in het water
in het licht dat breekt. Ik lijk wel
scheef, gebroken, maar het is schijn
die zich niet laat weerhouden
en laat ik mij voorover vallen
met armen wijd: hoogstens
ga ik kopje onder.

 
 
 

Opgepoetst

De nacht liet al niet langer op zich wachten
toen het al tijd was om mijn gedachten
te laten varen
tot het ochtendgloren
en daar voorbij, tevens
ongedacht te ademen, te dromen
zoals het uitkomt.

 
 
 

In de kou

Geen te omarmen
geen vingers om in elkaar te grijpen
geen zacht beroeren
niet heet
niet kloppend
niet vochtig

Vanzelf glijd ik af.

En de regen tikt ook
nog eens tegen het raam.

 
 
 

Venster

Achter de weg
en de wind waait, de wolken
de molen vermag niets
het licht komt en gaat
wat achter het raam verborgen
blijft, dat is een weet
en zelfs dat valt te bezien.

 
 
 

Kort gesloten

De nacht dient zich aan
of ik doe deur open
en nog één
om van het donker te proeven
de wind, het vocht, een ongeziene maan

Het is wel een heel eind weg
te gaan; het knettert halverwege.

 
 
 

Doorheen

Opborrelende woorden, wreed
verstoord door het belletje van de oven
en de liefde, de liefde
die door de maag gaat, laat
het toch afweten bij de hitte
die gloeit en doet smelten.

 
 
 

Waddeneiland

En daar wordt het zand, daar
aan de noordkant, neer gelegd
en daar slik, dat samen klit
terwijl de zon onovertroffen
aan beide kanten onder gaat
terwijl de vloed aan beide kanten
zijn sporen trekt, aan beide kanten
de golven golven

en daartussenin het eiland ligt.

 
 
 

Kringlooope

Dag in, dag uit adem ik haar:
de lucht. Welke kleur dan ook
hoe getekend
door hoeveel monden ook gevoed
door hoeveel leven ook ververst
smaakt ze nergens naar
al laat ze me proeven van het leven.

 
 
 

Vrij

Nee, ik laat niet af
maar los gaan?
Nog weet ik mij gebonden
door schakels van angst
al vlieg ik, al vlieg ik
soms hoog en ver

in gedachten, soms
in dromen en soms
weet ik mij vrij van de boeien
die er toch al niet waren.