Van de wal in de sloot

De sloten blijven het land doorsnijden
Je ziet ze zelden, zelden
anders dan vanzelfsprekend en om hun nut
tot ze een knik maken
tot ze met leven blijken gevuld

Soms valt mijn oog daarop en meer.

 
 
 

Lente

Welke woorden moest ik schrijven
bij die bloemen
Ik liet het afweten bij hun kleur, hun vorm

Mijn hart staat open
als het hunne voor de wind
voor het leven dat voorbij vliegt
om vrucht te dragen voor de winter komt.

 
 
 

Niet gevangen

Met mijn oma ging ik een ijsje halen
Opa – begreep ik later – deed een voorn
aan mijn haakje. Ik vond het
dat glibberige, spartelende, maar niets.
Van vissen is het nooit gekomen.

 
 
 

Kabbelend

De zon kust, als de wind
waait over het watervlak
net zo goed en flonkert
het spiegelbeeld van hele wereld
vertekend voor mijn oog, zo
geruststellend.

 
 
 

Het weerkaatsend wit

Zo kreeg ik vandaag toch wat mee
van de wind en van de zon
met lange mouwen
zag ik weer voor het eerst de ijscoboer
in het plantsoen waar zij vertoefden
met blote armen en blote benen
begin mei, nog voor bevrijdingsdag aan.

 
 
 

Even tussendoor

Gewoel in de winkel, zo’n super
waar ze aan de kassa stuk voor stuk
allemaal ons allen zonnig begroeten
een bonus op zo’n grijze dag
aan de overdekte winkelgoot.

 
 
 

Oeverleven

Aan de oever van een vijver
in de halfschaduw onder het bladerdak
waar het zonlicht speelt, het maanlicht
haar voeten kust, zit ik
aan de overkant

Als het stil is vliegen onze woorden
over het watervlak. Soms zingen vogels
plonzen kikkers in het water, alert
op elke beweging.

 
 
 

Heus lente

Zonder handschoenen, zonder jas
zelfs met tegenwind op mijn dooie gemak
in zelf bedachte stilte door de stad
Ook zonder foto is het waar
(Maar wel met lange mouwen
en ook was het nog geen rokjesdag)