Met het glas in de hand
rood en vol vervlogen warmte
zie ik de schaduw geworpen
door een zon die zich onttrekt
aan mijn blik. Ik had
de tijd. De tijd was aan mij
maar niet het leven.
–

Foto's en andere waar
Met het glas in de hand
rood en vol vervlogen warmte
zie ik de schaduw geworpen
door een zon die zich onttrekt
aan mijn blik. Ik had
de tijd. De tijd was aan mij
maar niet het leven.
–
In mijn blikveld kwam een luchtballon
Het was de avond
voordat de lente zou beginnen
Ik zag de mand, maar niet de mensen
vanuit de trein. Zij misten
mijn perspectief en moesten wel dalen.
–
Wat zeggen we als de lucht blauw is
en ergens daar uit ons gezichtsveld
opeens de temperatuur in een seconde
stijgt tot een graad of duizend
en een krater slaat in de grond
en in het hart van naasten?
De wereld te klein te groot.
–
Geprevelde woorden spoelen aan, blijven
achter in de slotgracht van het zandkasteel
dat we samen bouwden. Een eeuwigheid
zal het niet duren. We hebben nog
onze vormen om opnieuw te bouwen
wat uitzicht biedt op ons eigen eb en vloed.
–
Er zaten piepers bij en later gierst
Ook zeewier en het vocht van yoghurtplantjes
kwamen voorbij en prikkelden mijn papillen
Over rabarber en gekookte lof wil ik het niet hebben
ook niet, juist niet in rolletjes met ham en kaas
Pannenkoeken waren uit de kunst
en wentelteefjes
Preitaart. Fruit was nooit een sterk punt.
O ja, niet vergeten:
sperciebonen met tomaat en kaas
en rijst met tutti frutti en noten
en vaak kwam iets van een sojaprodukt op tafel
later, toen mijn pa ook groente verbouwde
op biologisch dynamische wijze met stinkende
brandnetelgier
Zijn tuinbonen hoefden geen van ons
Toch was er altijd wel soms patat
waarvan de oorlogsvariant zich pas aandiende
toen ik eenmaal zelf kookte
uit het schriftje van mijn moeder.
–
Hoe je daar blank ligt uitgestrekt
daar kan ik niet van dromen
Hoe de ochtendzon danst over je huid
dat is niet aan mij
Hoe je je traag omkeert, me aankijkt
dat zie ik niet.
–
Van nature ben ik niet van onder water
en ook doping is niet aan mij besteed
maar soms houd ik mijn adem in
en hoop dat ’t geluk komt, later
en sta ik niet teveel stil bij het leed
en hoop ik slechts op goede zin.
–
Door blauw omgeven, het donker
van de schemering, als een enkele ster
zichtbaar, de zon verdwenen is
de warmte van ons is
overdag achter ons
en de tijd speelt ons geen parten
elkaar koesterend in het zien.
–
Een ieder doet wel wat
en sommigen zullen wel net
hun adem inhouden, een hart-
klop verwijderd voor de tocht
waar ik jouw hand zoek, het leven
–
Als het stil is en ik stilval
de afstand nog te groot is
als de muziek klinkt zonder jou
speelt de zon weer op het water
dat zie jij ook
maar drinken uit hetzelfde glas
daar kan ik nog alleen op proosten.
–