Onder straatlantaarnlicht lichten roze, oranje
en wit de bloemen van de straat op
doodstil levend, de enige wind
is de tegenwind die ik zelf maak
als ik mij naar jou toe haast
met de filmbeelden nog voor ogen
droom ik nog steeds van jou.

Foto's en andere waar
Onder straatlantaarnlicht lichten roze, oranje
en wit de bloemen van de straat op
doodstil levend, de enige wind
is de tegenwind die ik zelf maak
als ik mij naar jou toe haast
met de filmbeelden nog voor ogen
droom ik nog steeds van jou.
Midden in de nacht, ik weet niet
ik weet niet meer, niet meer
waar ik het zoeken moet
maar dat heeft ook nooit
natuurlijk nog nooit
gemoeten
alleen maar
dat we elkaar verstaan
de afstand tussen ons teniet
vergezeld door rauw verlangen.
–
letters op het wit
klanken in de lucht
waar ik op doel
is jou gegeven
als het goed is
lopen we samen op
en komen nog ’s ergens.
Ik min jouw schede
de plooien, de mond
die zich vochtig opent
voor mijn tong
Ik min jouw borsten
waarvan je tepels
zich oprichten
onder mijn cirkelen
Ik min jouw lippen
die vanzelf vaneen gaan
als ik zachtjes
met de mijne sabbel
Ik min jouw voeten
die je dragen
en heb lief
elke kromme teen
Ik min je ogen
als je me aankijkt
verdrink ik
en gelijk ik levensgroot.
De bel voor het speelkwartier is gegaan
allang. Ik wordt geacht te spelen
maar kies mijn eigen tijd
ik kan het niet verhelen
gelukkig ben ik toegesneden
op wie mijn hart verblijdt
het speelveld is gemaakt
van spinsels uit ons hart.
–
In geen velden of wegen
is er zon en ook geen
oliebollen, waar het de tijd
van het jaar ook niet voor is.
In geen velden of wegen
geen beer te bekennen
ik zou er nog van schrikken
als ik niet net had gegeten
In geen velden of wegen
een weg te zien, noch heg
maar jou weet ik hier
al is het werkelijk virtueel
met de moed der wanhoop
reik ik door het beeldscherm
en pak je in met woorden
een lint in je haar
de afstand klaarblijkelijk ogenschijnlijk.
–
Het brandt, de zon
maar jij brandt me meer
als hij zich dan verschuilt
ik voel de koelte niet meer
totdat bij zijn verschijnen
hij me kippenvel bezorgt
mijn rillingen behoren jou toe.
–
Kon ik met woorden
zomaar bij je binnen komen
Kon ik je met gedachten omarmen
Kon ik met mijn ogen zien wat in je leeft
Kon ik mijn stem laten spreken direct in je hart
Kon je me ruiken, proeven, je zinnen van mij vervuld
Droom lief, droom.
waait de wind zacht bij vlagen
een briesje streelt mijn wang
alsof jij een kusje blaast
mijn hoofd rust op mijn hand
zweef ik naar de maan en kijk
met haar mee hoe jij al slaapt.
Naakt
dan nog gekleed in licht
De oneffenheden
verbleken, het verleden
draagt ze met zich mee
het oog van de toekomst
deert haar niet
ze ziet wel
en haalt de wereld binnen.