Voorbij middernacht

Over de rand van middernacht
de vogels maken geen geluid
vult het verlangen de leegte op
wat het daglicht niet verdraagt
doet zich gelden, meer
donker, meer uitbundig licht
het leven buiten de oevers treedt
waar het binnen blijft overdag.

 
 
 

Gevallen en verlaten

Verkreukelde lakens aan het voeteneind
op de grond, de morgenstond
brak aan met zonlicht door de gordijnen
de kamer nu leeg van leven
met nog de geuren van de afgelopen
nacht en van jouw weggaan
met de lente om je heen.

 
 
 

Lenteloop

Wolkenpartijen en hele stukken blauw
Een stelletje staat te zoenen
Vogels fluiten, kwetteren, krassen, kwinkeleren
Het groen ontluikt met bloem en al
Zie ik menig been van vlotte meiden
met gebonden haren hollen door de lente.

 
 
 

Van binnen uit

Laat ik de onrust varen
het geluid voor wat het is
houd ik je in mijn gedachten

een bloem in zeven kleuren
dat je blijft stralen in al je pracht
je doorns, ik haal mij er aan open

zonder hartzeer, mijn bloed
voedt waar geen licht kan komen
ik omkleed je met mijn blikken
dat geen koude je deert.

 
 
 

Een eind zoek

De haaientanden op de weg
ze laten niet los, ze houden me op
mijn wereld staat er van op z’n kop

wijk ik naar de middenstrepen uit
dan weet ik zeker in een hartklop
sta ik nog meer op de uitkijk

naar de wereld van de dingen
ik verdwijn er allerwegen
een teller die zich verliest in kringen

opdat ik van ophouden weet
slik ik pillen bij de vleet
want met die rotzooi in mijn hoofd
is mij beterschap beloofd

Nu ben ik zo’n zwaargewicht
mijn ik, die is er pootje door gelicht.

 
 
 

Pijlers

De woorden die ik laat vallen
de woorden die ontsnappen
die  opwellen, die ik bedenk
zij het uit al mijn macht
zij het buiten mij om
vertellen een verhaal van afstand

Aan jou is het weer binnen te halen
dat ik leef in je denken, in je hart.

 
 
 

Engelachtig, soort van

Als ik op geen woord meer kan komen
mijn gedachten plaats maken voor dromen
laat het dan zijn als ik jou in de ogen kijk
dan weet ik mij een koning te rijk
met het leven, jouw wezen en zijn
maken het inslapen dubbel zo fijn.

 
 
 

Part en deel

Een part oranje tussen rode lippen
Ik kus je en zwelg
Deze appel is niet zondig
Ik pers hem uit
Al het sap op je huid
Mijn tong likt de druppels
Tot ik niets anders meer proef dan jou
Tot we weg zijn van elkaar.

 
 
 

Rietzang

Het riet staat daar nog maar dor
de jonge scheuten op zich laten wachten
waar de bomen al in knop
en bloemen bloeien op het droge

herinner ik mij hoe lang nog
hun groen me deed denken aan de zomer
waar ik mijn onschuld verloor

verlang ik nu
mij nog dieper in de nesten te steken
van het leven te proeven
wat het leven vermag.