Als ik mijn ogen toe doe
houd ik het beeld voor ogen
hoe jij in de wereld kijkt
niemand ken ik
die meer de zon weerspiegelt
slaan de vlammen soms ver uit
de zonnewind door het donker wordt gedragen.
Als ik mijn ogen toe doe
houd ik het beeld voor ogen
hoe jij in de wereld kijkt
niemand ken ik
die meer de zon weerspiegelt
slaan de vlammen soms ver uit
de zonnewind door het donker wordt gedragen.
De wijn zingt
Mijn stem echter alleen maar klinkt
als men de oren heeft gespitst
ook al draagt ie nog zo ver
ongehoord blijft ’t stommetje spelen
Het liefst ik heel zacht
mijn woorden fluister
bij jouw oorschelpen
als je je hoofd buigt naar mijn stem.
Waarom zou je je tooien in bloemen
anders dan om hun schoonheid
nog eens te meer te laten zien
anders dan om van het leven
nog eens te meer te houden?
Met graagte ik mijn bloed pleng
De doorns vergeten, verbleekt
de pijn bij dat al.
En ik dwaal maar door dit leven
dat mij schijnt toe te behoren
Ben ik begaan
maar weet me geen raad
met hoe het hier aan toegaat
de tegenslagen
voel ik me verloren
waar is het houvast
waar ben jij
ook al is ook jouw warmte
een illusie
weet ik niet, helemaal niet
niets zeker over een toekomstig
tijdloos verschiet
Mijn hart klopt hier en nu.
Het graan teneergeslagen
Daar aan de rand van de akker
Hoe graag zou je
de geknakte halmen stuk voor stuk
willen oprichten, maar
er is je geen tijd gegeven
geen eeuwigheid
deze oogst is verloren
het onrijpe groen voor de vogels
voor de aarde
wat rest
niet alleen, niet alleen
En de weg leidt
desnoods elders
ook al stuift het zand
ook al slaat de bliksem
naast je voeten in
ook al doorweekt de regen
je en schroeit de zon je
desnoods elders
waar ’t net zo goed
uitmonden kan in mooi.
De nacht ging voorbij, onderbroken
en het kwam niet eens door jou
Het kwam niet door jou
dat ik nu ben gebroken
Dan was ik ook meteen geheeld
hadden we samen gereikt
naar de toppen van de hemel
en buiten adem die gedeeld
Dan was ik niet alleen maar leeg geweest
maar vol ook
ledig in jouw armen
Jij kwam niet
Niet in mijn dromen
Niet in mijn wereld van alledag.
Aan de kant van de sloot wachtte ik
op de zon, de wolken voorbij geblazen
het licht de toppen van de golven besprong
spelend, flonkerend en in het ijs doordrong
Het tinkelen van mini ijsschotsjes
Zo moest het zijn, die middag
De dooi tekende de rest van de winter.
Foto’s van die genoemde middag
Er komt geluid uit de boxen
en beeld schijnt op tv
Als ik opsta
en in de keuken
nog wat knabbelwaar haal
is de bank, blijft de kamer leeg
zo leeg, als ik vol van binnen.
Verpak ik in woorden
van niet al te bonte makelij:
een hart
een bonbon
wat hoop en glitter
een armvol troost
een glimlach en een toost
aandacht, een blik
de wil om je te zien
met je hele hebben en houwen
wat zoet en wat hartig
drank voor de dorst
en kracht om te keer te gaan
een hart
een bonbon
wat hoop en wat glitter.
Verregend zijn de dagen
tussen de druppels door
haalt men wel adem
een oceaan van lucht
Loop ik door, we door
gaandeweg de zon
onze huid verwarmt.