Aangeland

Zo lang zwem ik al alleen
Reik jij dan naar mij
weet ik niet anders
dan je vast te houden
met onze hoofden bij elkaar
rustend in elkaars armen
stil te staan en de zee
achter te laten
en vrij te ademen
naar mijn hart, jouw hart.

 
 
 

Over

Eén vlinder mij nog aankijkt
van de velen die zijn gevlogen
ze me met haar ogen
op haar inblauwe vleugels
stil vraagt of ze mag zetelen
vanuit mijn buik in mijn hart
om mij daar te beroeren
waar ze zich thuis voelt.

 
 
 

Dooie kou

Een dun laagje wit, vers
over de dagen van oude sneeuw
het zwarte ijs net afgedekt
lijkt de wereld grijs en stil
de kou de aftocht blaast
blijft het bij nul graden
waar het water is gestold

Onuitgenodigd treedt het binnen
in de kamer waar de ijsbloemen
van de ruiten zijn afgedropen
het effen licht zich
een weg baant en mijn doen
en laten doet verstarren, opgezadeld
met een verlangen naar eens zoveel
warmte als toen de kou nog heerste.

 
 
 

Ongezegd

De wereld, het leven is zo vol
zoveel ongezegd blijft
Je het aan de lezer toevertrouwt
er het zijne van te denken

En misschien omdat we mensen zijn
misschien omdat we elkaar nabij staan
vatten we toch meer dan gezegd.

 
 
 

Gegeven

Het komt je vast niet onbekend voor
dat je een buik hebt en een hart
het laatste wel zuiver
het andere je vervult met huiver
en je hoofd rond tolt en verward
met liefde de lust tussendoor
 
komt en daarvoor je dan woorden schrijft
zodat enige vaste grond nog over blijft

het punt beklijft
dat jij met al je zinnen
hier bij me leeft van binnen.

 
 
 

Het veld geruimd

Ik pluk nog maar een bloem
blindelings uit het veld
en sla geen acht op de distels
en de doorns

onder een strak blauwe hemel
schijnt de zon met gemak
druk ik haar aan mijn borst
die het veld heeft geruimd.

 
 
 

Inkapseling

In elkaar gedoken
van de wereld weg
alle warmte die je rest
omhels je, gesloten ogen
buitengesloten
omhels je het donker
dat de zinnen bedaart

een warm handgebaar
een vraag hoe het gaat
laat je schouders schokken
of nog dieper
wegkruipen in elkaar.

 
 
 

Ongelest

De vlinders zijn gevlogen, alleen
hun schaduwen fladderen nog
de rupsen van verlangen knagen

Deze keer werd de appel niet gedeeld
Het vruchtvlees en de pitten vergaan
zonder te gedijen.

 
 
 

God, zo saai

Al zou ik de wind beheersen
had ik de bliksem in mijn macht
het gezag over de wolken
en ook de zon aan mijn wil onderhevig was

Ik zou het laten gaan
Nooit meer
zou een regenboog mij verrassen.