Zij is zo aards als wat
gewoon niet van deze wereld
en als zij lacht
wil ik niet anders
het leven vieren en de teugels.
Zij is zo aards als wat
gewoon niet van deze wereld
en als zij lacht
wil ik niet anders
het leven vieren en de teugels.
Zo diep kan je niet zinken
of er wordt licht gemaakt
in het donker van de zee
van al dat leven van heel
heel lang geleden
en van de zon die eertijds scheen
en ook de aarde diep, diep
diep onder water
tot uitbarsting komt.
Er was Nelis, er was Felix
Dolci vergezelt me nog
Dat hartzeer bij ’t verscheiden
Toch laat ik maar niet los.
Kinderen, kinderen, ouders
praat me er niet van
de schrik me om het hart slaat
kinderen te overleven.
Zo’n dag
dat het licht je zwaar valt
dat het zweet je uitbreekt
als je naar buiten kijkt
en je ziet al die mensen
zich begeven op glad ijs
dat het een lieve lust is
dat je liever in een boek duikt
waar de letters dansen.
Drie heuse winters op rij
naast gemiddelde hoge temperatuur
verwacht ik dat ik tot sint juttemis
kan wachten
op nog zo’n elfstedentocht
en op plaatjes die doen denken
aan 17e-eeuwse ijsgezichten
en aan de kou die verbroedert
doet smelten en de schoenen
die zomaar liggen aan de kant.
Alleen ijsbloemen bloeien nog buiten
en wat er bloeit in mijn hart
dat vertaalt zich in woorden
daarvan de vrucht nog wacht
Wat zou ik willen geven
als ik je haar kon ruiken
als ik je mond kon zien welven
in een glimlach deze nacht.
Voetstappen in het wit, ik kijk
op en om mij heen en overweldigd
sla ik het gade, hoe het landschap
ook zonder jou zich openbaart
in stilte, geluiden zonder wanklank
zeg ik dank ook deze dag
van kou en de warmte, ik mag
die koesteren van binnen.
Ze zeiden nog zo tegen moeder
dat ze echt voorzichtig zouden zijn
Stoven ze er vandoor en samen
zie ik ze waaghalzerig
de breekbaarheid van het ijs
uitproberen uit het zicht
maar ten minste wel aangekleed
met muts en sjaal en aanverwanten
En voor het donker thuis!
Dat rood, dat onverwacht
in mijn blikveld mijn hart beroerde
Een tijd geleden, bij min vijftien
denk ik daaraan, wat vervlogen
het zonlicht dat werd gevangen
in bladgroen en in kleur
is weg, wat rest
het verlangen naar breekbaar licht.
Hoe je er nu bijligt
of zit, dat is de vraag
mijn vraag
waarover ik in het ongewisse
verkeer, dat maakt niet uit
Geen bericht is goed, zo
men wel zegt
en laat ik daar maar van uitgaan
Het is is mijn hoop
zeg maar, in bange dagen.