Het is me niet onwelgevallig
de bittere smaak
te compenseren met wat hartigs
en weg te spoelen met wat wijn
Wie ook maar bevallig mag zijn
In mijn nabijheid verkeert zij niet.
–
Het is me niet onwelgevallig
de bittere smaak
te compenseren met wat hartigs
en weg te spoelen met wat wijn
Wie ook maar bevallig mag zijn
In mijn nabijheid verkeert zij niet.
–
Mijn geloof strekt zich uit
tot het holst van de nacht
tot dan blijft het levend, daarna
zink ik weg onder het winterdekbed
Een droom houd ik er misschien aan over.
–
De nacht is te lang
Ik kort hem in
weldra breekt de morgenstond
mijn hum en gaan we op
naar een volgende dag
en wie weet wat die mag
brengen. Vooralsnog
laat Sinterklaas het afweten.
–
Nu ik toch wakker ben
kan ik mij net zo goed
vastleggen in woorden
vrij van de nacht
de droom verlaten
een kus in zwart en wit.
–
Vandaag sla ik even over
en scheer mij zo wel weg
Raak je daarvan van de leg?
Pech! Nu ben ik mooi een rover
Mijn zwaard houd ik in de schede
Zo bewaar ik wel de lieve vrede.
–
En dan zie je in de verte
van die knalgele boomkruinen
en dan vraag je je af:
word ik nu opgelicht
of zijn het de omstandigheden?
–
Strak staan ze erbij
de pakhuizen van eertijds
en nog kunnen ze niet
al mijn kussen bevatten
als het graan van het land.
–
Aan de muur hangt zo’n plaat, een foto
van Frankrijk, uit de Cevennen. Onzichtbaar
ben ik zelf, alleen mijn uitzicht van toen
over de wolken in het dal:
geen kip te zien.
–
Het mooie is: in de wolken
kan ik van alles zien, zoals jouw
ogen en jouw lach, jouw haren
de regenboog erbij verbleekt
en de zon slechts schijnt
om je luister bij te zetten
de zee om onze voeten spoelt
val ik voorover en proef het zout.
–
Ik proef zout
de zee is niet ver weg
de wind doet mijn ogen tranen
de golven spoelen onveranderlijk aan
aan de kust, ik kus
het wegwaaiend schuim.
–